Hilversum

Selecteer Pagina

Tweede Kamer praat over suïcide onder jongeren: hoe zichtbaar is mentale nood eigenlijk?

Tweede Kamer praat over suïcide onder jongeren: hoe zichtbaar is mentale nood eigenlijk?

HILVERSUM- De Tweede Kamer sprak op woensdag 11 maart over een zwaar maar belangrijk onderwerp: het terugdringen van suïcide onder jongeren. In Den Haag gingen Kamerleden in gesprek met ervaringsdeskundigen, wetenschappers en professionals om te kijken welke hulp en beleidskeuzes kunnen bijdragen aan betere preventie. Uit recente cijfers blijkt dat het aantal jongeren dat overlijdt door suïcide nog altijd zorgwekkend hoog is.

Volgens 113 Zelfmoordpreventie overleden in 2025 in Nederland 290 jongeren onder de 30 jaar door suïcide. Vooral het aantal tieners baart zorgen. Waar dat aantal normaal rond de zestig per jaar ligt, waren het er in 2025 73. 113 noemt dat “verontrustend hoog”. Daarmee wordt duidelijk dat het niet om een abstract probleem gaat, maar om iets dat op scholen en in gezinnen dichtbij kan komen.

Dat de Kamer juist nu over dit onderwerp praat, laat zien dat er ook politiek meer aandacht voor komt. Tijdens het rondetafelgesprek werd gesproken met verschillende partijen uit de praktijk, waaronder 113 Zelfmoordpreventie en GGD GHOR Nederland. Het doel was om informatie op te halen over welke ondersteuning en beleidskeuzes kunnen helpen om suïcide onder jongeren terug te dringen.

Toch zit de kern van dit onderwerp niet alleen in Den Haag. De echte vraag is wat jongeren hier in het dagelijks leven van merken. Op school, tijdens een studie, thuis of op het werk. Juist daar moeten signalen op tijd worden herkend.

Dat ziet ook Rutger, jongerenwerker in Hilversum. Volgens hem spelen mentale problemen onder jongeren al langer, maar zijn die niet altijd meteen zichtbaar. “De druk op jongeren is best hoog. School, sociale media, verwachtingen van thuis of van zichzelf, dat stapelt zich op. Wat we vaak zien, is dat jongeren pas laat aangeven dat het eigenlijk niet goed gaat.” Daarmee laat Rutger zien dat het onderwerp uit Den Haag ook in Hilversum herkenbaar is.

Uit de landelijke monitor mentale gezondheid van RIVM en Trimbos blijkt dat de mentale gezondheid in Nederland al langer onder druk staat. In die monitor wordt gekeken naar groepen jongvolwassenen. De onderzoekers benadrukken dat vroeg signaleren belangrijk is en dat preventie niet pas moet beginnen wanneer het al misgaat.

Volgens Rutger is dat niet vanzelfsprekend. “Aan de buitenkant lijkt vaak alles goed te gaan, terwijl er van binnen veel kan spelen. Daarom is het zo belangrijk dat jongeren zich gezien voelen en weten dat ze ergens terechtkunnen.” Die observatie sluit aan bij het beeld dat ook uit landelijke cijfers en rapporten naar voren komt: mentale klachten zijn vaak moeilijk bespreekbaar en worden daardoor soms pas laat opgemerkt.

Voor scholen, jongerenwerkers en studentenbegeleiders ligt hier dus een belangrijke taak. Niet omdat zij alles kunnen oplossen, maar wel omdat zij vaak als eersten signalen kunnen oppikken. Juist in zo’n fase kan een gesprek, een vertrouwenspersoon of snelle doorverwijzing het verschil maken.

Tegelijkertijd is het te simpel om alle verantwoordelijkheid daar neer te leggen. Als de politiek echt iets wil veranderen, moet het niet alleen gaan over bewustwording, maar ook over de vraag of er genoeg passende hulp beschikbaar is. Aandacht is belangrijk, maar zonder bereikbare ondersteuning schiet die aandacht alsnog tekort.

Het debat in de Tweede Kamer is daarom een belangrijk signaal. Niet omdat het probleem daarmee direct opgelost is, maar omdat het onderwerp zichtbaar wordt op een plek waar beleid wordt gemaakt. De uitdaging is nu om die landelijke aandacht te vertalen naar de praktijk. Want uiteindelijk gaat het er niet om hoeveel er in Den Haag over wordt gepraat, maar of jongeren in hun eigen omgeving op tijd gezien en geholpen worden.

 

Over de auteur