Het huis als getuige

Het huis als getuige

Het Bellamypark in Vlissingen baadt in het zonlicht. Op de terrassen klinkt het geroezemoes van mensen die koffie drinken en lachen. Eddy Vos, 59 jaar, staat stil voor een winkelruimte aan het plein. De etalageramen zijn oud en verwaarloosd, het pand leeg. Boven de winkel zijn woningen. Hij steekt zijn handen in zijn zakken. “Hier stond hij dus”, zegt hij zacht. “Achter die toonbank.” Hij bedoelt zijn opa Geerlof. Een man die hij nooit heeft gekend, maar wiens schaduw hij pas laat in zijn leven ontdekte.

Het begon onschuldig, met een stamboom. Eddy en zijn zus wilden weten waar ze vandaan kwamen. Ze wisten dat de familie was verhuisd, van Amsterdam naar Vlissingen, en daarna naar Utrecht, maar waarom, dat wist niemand. Of niemand wilde het weten.

Ze stuurden een mail naar hun oom, de jongste broer van hun vader. De man die het moest weten. De reactie die terugkwam was als een klap. “In de periode ’40 – ’45 en ook nog daarna stond een deel van de familie aan de verkeerde kant van de doellijn. Helaas kom je nu in de tijd die voor mij al jaren is afgesloten, het boek is dicht, en gaat nooit meer open wat mij betreft.” Eddy las de mail meerdere keren. Hij wist meteen dat hij verder moest zoeken.

De Misthoorn

Een krantenknipsel waarin wordt vermeld dat Vos het pamflet in de boekenwinkel had liggen: ‘Zuiver Duitsche propagandalectuur, die een goede Nederlander niet kocht.’ Uit persoonlijk archief van de familie.

In het gemeentearchief van Vlissingen vond Eddy zijn eerste harde bewijs. Zijn opa Geerlof had in 1939 een antisemitisch blad in de etalage van zijn boekenwinkel gelegd. De naam van het blad: De Misthoorn. Geerlof moest kiezen: honderd gulden boete of twee maanden gevangenis.

Nu staat Eddy op het plein waar die winkel ooit stond. De zon beschijnt de tegels. Ergens op een terras lacht een kind. Hij probeert zich voor te stellen hoe het er in 1939 uitzag: de etalage, de boeken, zijn opa die een keuze maakte. “Eigenlijk wil je weten waarom zij dachten dat de NSB een goede keuze was”, zegt hij. Zijn stem klinkt niet boos. Eerder zoekend.

Zijn ex-vrouw Cora staat naast hem. Ze kijkt naar de verweerde gevel. “Met een beetje verbeelding zie je de boeken nog liggen. En hem achter de toonbank.” Ze zwijgt even. “Ik had hem de vragen willen stellen. Van wie hij is. Wat hem drijft.”

De boekenwinkel in Vlissingen met de kiosk op het plein ervoor. Uit persoonlijk archief van de familie.

Na Vlissingen gaat Eddy met zijn zus naar het Nationaal Archief in Den Haag. Ze krijgen toestemming om de dozen in te zien. Wat ze vinden overtreft alles wat ze hadden verwacht. De documenten liegen er niet om. Zijn vader heeft vastgezeten. Het NSB-lidmaatschap staat er zwart-op-wit. Eddy legt een vel papier op de tafel en leest het opnieuw. “Je vraagt je wel direct af: wat is hier gebeurd?” Na het archief lopen ze naar het strand. Ze zeggen weinig. Het zand dempt hun voetstappen, de wind trekt aan hun jassen. Soms heb je een plek nodig die niets met het verleden te maken heeft.

Eddy heeft nooit overwogen om te stoppen met zoeken. “Dan blijf je namelijk met vragen zitten”, zegt hij. Zijn vader, Henk, heeft er zijn hele leven het zwijgen toe gedaan. Eddy herinnert hem als een hardwerkende man die kluste, kampeerde in Frankrijk, filmpjes maakte van de familie. Een gewone vader. “Ik vind wel dat hij er over had moeten praten. Nu is hij niet eerlijk geweest.”

Bevrijdingsdag, Frederik Hendrikstraat

Op Bevrijdingsdag rijden Eddy en Cora naar Utrecht. Ze parkeren de auto en lopen de Frederik Hendrikstraat in. Het is een rustige, brede straat met hoge grachtenpanden. Bomen staan in bloei. Ze stoppen voor nummer 124.

De boekenwinkel in Vlissingen was failliet gegaan tijdens de oorlog. Bombardementen verwoestten de stad. Via de NSB-evacuatiedienst was Geerlof met zijn vrouw Elizabeth en hun vier zonen naar Utrecht gestuurd, naar dit huis, in deze straat. Ze woonden hier van juni tot september 1944. Daarna, met Dolle Dinsdag, vluchtten ze naar Duitsland.

“We hadden eigenlijk alleen maar vragen”, zegt Eddy. Hij kijkt omhoog naar de ramen. “Wie heeft dit huis voor ze geregeld? En wie woonde hier daarvoor?” Via de organisatie Joods Monument vinden Eddy en Cora het antwoord. In het huis woonde een Joodse familie: Siemon de Leeuw, zijn vrouw Pauline Meijer en hun zoon Herman.

Familie De Leeuw-Meijer

Uit het boek van Kitty, een advertentie in de krant na de oorlog: Wie kan inlichtingen verstrekken over familie De Leeuw-Fonteijn? “Wie heeft hen in Polen of elders gesproken? Brieven aan: Kitty Zilversmit-Fonteijn.”

Cora duikt in de archieven. Ze reconstrueert het leven van de familie De Leeuw-Meijer stukje bij beetje, via gemeentearchieven in Groningen, Utrecht en Den Haag. Pauline werd geboren in Düren, een stadje niet ver van Keulen. Siemon in Winschoten, in Groningen. In 1905 trouwden ze in Düren — hoe ze elkaar hebben ontmoet weet niemand. Cora vermoedt de synagoge in het dorp, of de markt voor landbouwvoertuigen waar Siemons familie handel dreef.

Ze kregen drie kinderen: Frits in 1906, Helena een jaar later en Herman in 1912. Frits en Helena stierven jong. Herman bleef over. “Het schrijnende is dat ze al zoveel verlies hadden geleden voordat de oorlog begon”, zegt Cora. Ze scrolt door de scans op haar computer. “En dan breekt de oorlog uit.”

Pauline overleed op 13 juli 1942, 64 jaar oud. Ze is begraven op de Joodse begraafplaats aan het Zandpad in Utrecht. Siemon, Herman en Hermans vrouw Suze Fonteijn werden weggevoerd en vermoord in vernietigingskamp Sobibor.

Kitty’s boek

Suzes jongere zus Kitty overleefde de oorlog. Ze emigreerde naar Amerika en trouwde met Donald Zilversmit. Jaren later schreef ze een boek over haar leven.

Cora leest erin. Het boek geeft het verhaal iets terug wat archiefstukken nooit kunnen geven: het dagelijkse leven. Kitty beschreef hoe ze piano speelde, uren achter elkaar, met het zachte pedaal ingedrukt uit angst weggestuurd te worden. Ze beschreef hoe ze in februari 1940 een brief van Donald kreeg, vanuit Amerika, waarin hij haar waarschuwde haar immigratiepapieren op orde te krijgen. Haar vader vond het overdreven.

Op 10 mei 1940 vielen de Duitsers Nederland binnen. Kitty en Suze gingen naar het noodloket van het Rode Kruis in Utrecht om te vragen of ze konden helpen. Ze werden weggestuurd. Thuis zaten ze in de woonkamer. Hun moeder staarde voor zich uit, bleek, stil. Haar vader en broers zochten afleiding in klussen.

“Heel veel weet je niet over deze mensen”, zegt Cora. “Je hebt alleen de chronologische tijdlijn. Met dit boek kom je iets meer te weten.”

Een steen voor de deur

Het is die interpretatie die Eddy bezighoudt. De puzzelstukjes zijn gevallen: het NSB-lidmaatschap, de evacuatiedienst, het huis in de Frederik Hendrikstraat. Zijn grootouders hebben in een huis gewoond dat was leeggehaald omdat de bewoners waren weggevoerd.

Er zijn geen nabestaanden van de familie De Leeuw-Meijer gevonden. Van Kitty’s kant zijn er mensen die de oorlog hebben overleefd, maar contact is er nog niet. Eddy en Cora willen op 4 mei naar de Joodse begraafplaats aan het Zandpad, om een steentje te leggen op het graf van Pauline. Voor de Joodse gemeenschap is dat een teken: iemand heeft aan je gedacht.

En ze willen een Stolpersteine laten leggen voor het huis aan de Frederik Hendrikstraat. Een struikelsteen, ingebed in het trottoir, met de naam van Siemon, Pauline en Herman. Een kleine, glanzende herinnering in het midden van een mooie straat.

“In het uitzoeken van dit verhaal zijn we ons heel verbonden gaan voelen met deze familie”, zegt Cora. Ze kijkt naar de foto van de Frederik Hendrikstraat op haar telefoon. “Ik zou het heel eervol vinden als er een nabestaande bij kan zijn. Bij die gedachte krijg ik al kippenvel.” Eddy knikt. Hij denkt aan zijn vader. Aan de filmpjes van de kampeervakanties in Frankrijk, aan de man die kluste en zweeg.

Het huis aan de Frederik Hendrikstraat staat er nog. De straat is mooi en stil. Ergens heeft de geschiedenis zijn sporen achtergelaten, maar zichtbaar voor wie de moeite neemt om te zoeken.

Over de auteur

Anne-Marie Vos

In de afgelopen vijf jaar heb ik mij binnen de HBO-bachelor Journalistiek ontwikkeld tot een startbekwaam onderzoeksjournalist. Tijdens mijn opleiding heb ik bewust gekozen voor verdieping in sociaal-maatschappelijke thema’s, met een focus op diversiteit, inclusiviteit en (on)toegankelijkheid in onderwijs, werk, cultuur en kunst. Mijn interesse in onderzoeksjournalistiek werd versterkt door de specialisatie Kunst, Cultuur en Lifestyle, een universitaire minor Gender Studies en een stage van zes maanden bij Pointer (radio-afdeling). In deze context leerde ik hoe journalistiek kan bijdragen aan het blootleggen van structurele ongelijkheid en het zichtbaar maken van perspectieven die in het publieke debat vaak onderbelicht blijven, met name wanneer deze thema’s vragen om nuance en verdieping. Onderzoeksjournalistiek beschouw ik als een essentiële vorm binnen het medialandschap, omdat het ruimte biedt voor context, gelaagdheid en maatschappelijke impact. Wat mij onderscheidt als beginnend journalist is de combinatie van onderzoeksvaardigheden en een uitgesproken focus op inclusieve journalistiek. Ik ben gewend om kritisch te kijken naar framing, aannames en machtsverhoudingen, en zoek in mijn werk naar vertelvormen die inhoudelijk scherp zijn, maar ook toegankelijk en uitnodigend voor een breed publiek.