Soms neem ik mensen mee naar huis

Soms neem ik mensen mee naar huis

Foto: Louise Hooijmans Terschelling

Creative Writing


Het licht komt door de gordijnen. Mijn wekker trilt, zacht in het kussen. Kwart over vijf. Ik druk hem uit en draai mij nog twee keer om. Er is een moment waarop ik bijna besluit te blijven. Maar ik doe het niet.

Buiten is de lucht nog zwartblauw. Ik trek mijn hardloopschoenen aan, rits mijn jas dicht en ren. De stad slaapt. De veegdienst schuift door de straten, een blikje rolt tegen de stoep. Een man schrikt als ik voorbij ren, struikelt half over zijn broek, ik moet lachen. De lucht prikt in mijn keel. Thuis douche ik en zet koffie, geen ontbijt, het is te vroeg om te kauwen. Op de fiets is de kou lekker. Even later stap ik op de trein van tien voor half acht. Ramen vol gecondenseerde adem, iedereen in stilte met oordopjes. We rijden door weiden die met de zonsopgang van kleur veranderen. Amsterdam Centraal – Metro – Noord.

De metro bevat gezichten die ik begin te kennen. De man in pak met de tikkende knie. De jongen met een pet die zijn telefoon kantelt alsof hij een geheim in de hand houdt. De vrouw met het kind dat altijd te warm is aangekleed. En zij, die vrouw met dat gezicht waar iets mee is wat ik niet helemaal kan plaatsen. Een scheefheid die geen litteken is en toch lijkt het alsof er ooit iets is gescheurd. Ik kan er niet op komen. Bij de bushalte ruikt de lucht naar gras en water. De bus rijdt soms door als je niet zwaait. Ik vergeet het nog steeds. Ik steek te laat mijn hand op, de bus gaat rechtdoor, ik blijf staan met mijn koffie in een kartonnen beker die nu ineens heel licht lijkt. De volgende komt snel. We rijden Langs de polder. Twee minuten van Amsterdam en alles wordt weiland. Koeien en schapen, boerderijen met bruggetjes. Bij het uitstappen zwaai ik automatisch alsof het een ritueel is. Ik loop langs het brandweercomplex. Mannen in uniformen lachen om iets wat ik niet hoor. Zij die ik herken uit de bus gaat naar rechts, richting de kinderopvang en de open kliniek. Een man in bodywarmer en een schoudertasje gaat links, de makelaar denk ik in mijn hoofd. Ik ga rechtdoor.

Het is een oud pand. De houten treden galmen als je erop loopt. Ik groet Yvonne. Zij is mijn vaste ritueel in de ochtend. Ze heeft grijs haar en is ongeveer vijfenzestig. Ze zegt: “ik kan niet op Teams, mijn computer wil niet.” Ze zegt het alsof de computer een hond is die weigert te komen als je fluit. Ik help haar. Klik hier. Nee daar. Ja zo. Ze zegt dat ze nooit met pensioen gaat. Ik geloof haar meteen. In de hal staan fruitmanden en ik pak meestal een banaan. Ik eet staand, schil in de hand, kijkend naar de trap. Linksaf is het codeslot. Iedereen weet de code, vier keer hetzelfde cijfer. Ik tik hem in zonder te kijken. Op de gang hangt een geur van schoonmaakmiddel en koffie. Mijn kamer is aan de linkerkant. Bureau, stoelen, raam met zicht op een dak waar altijd water op ligt.

Een kwartier overleg met het team. Namen op een lijst, crisissen op een rij. Wie baliedienst heeft, wie misschien kan overnemen, wie slecht slaapt en naar binnen loopt met een broodje dat naar papieren servet smaakt. Baliedienst betekent dat je de telefoon moet opnemen bij een cririsgeval. We hopen altijd dat ze na vijf uur bellen. De werkelijkheid is meestal anders. Om negen uur begin ik individueel. Het begint vaak bij onbegrip over zichzelf. Het eindigt daar soms ook. Depressie, angst, het hele spectrum. De kern is vaker hetzelfde dan je zou denken, de vormen verschillen op duizenden manieren. Soms stuur ik en soms rem ik.

In de pauze bespreken we intakes en wachtenlijsten. Anderhalf jaar voor een intake, weer eens zo lang voor een behandeling denk ik. Het is de motor die te langzaam aanslaat voor iemand die al stilstaat op de snelweg. Soms ben ik opgelucht als er crisis is, omdat je dan gelijk iemand kan helpen. Dat is niet mooi, wel waar. In de middag is er het goede gesprek. Zo noemen we het, zodat het positief begint. We halen mensen op uit de wachtkamer van de crisisdienst. Je hebt nooit een foto, alleen een dossier. Je bedenkt een gezicht bij de woorden van een dossier. Ik loop de trap af als in een ouderwets theater. Links de wachtkamer, rechts de uitgang. Ik roep een naam die ik misschien verkeerd uitspreek. Twee mensen staan op.

Ze zien eruit als mensen die naast je op een terras zouden kunnen zitten. Zij heeft blond haar in krullen die sowieso zijn gekruld met een krultang. Nagels die net zijn gedaan in een salon. Hij heeft een gezicht dat vriendelijkheid uitstraalt, met armen vol tatoeages. Hij knikt. Zij knikt later. We stellen ons voor. Een stagiair zit naast me, ze is twee maanden in dienst. Haar handen zoeken naar een rustplek, maar vinden die niet. Voorzichtig zoeken ze de stoelen op en ik leg uit. Dit doen we in de groep, dit zijn de thema’s, zo kijken we naar emoties, zo ontleden we gedachten. Ik zeg dat ik zijn dossier heb gelezen. Ik zeg zacht: “Ik las dat je een afscheidsbrief hebt geschreven. Ik las ook over pogingen, we zitten hier nu omdat jij wil veranderen. Maar past dat wel samen met het idee dat je misschien niet wil blijven. Hoe zie jij dat.” Hij praat om het gesprek heen, zoekt een uitgang in de vorm van een grap. Zij kijkt me aan, zoals je iemand aankijkt die je leest terwijl je probeert te besluiten of je dat goed vindt. Ik laat de stilte een paar seconden langer duren waardoor het een beetje ongemakkelijk wordt.

Dan komt het. Een moment op vakantie anderhalve week terug. Hij zette muziek op en liet zijn telefoon unlocked. Zij zag een pagina met de vraag hoe je jezelf het beste kunt verhangen. Ze zegt dat ze schrok en tegelijk besloot dat hij het haar moest gaan vertellen. De stilte gaat tussen hun inzitten. Ik kijk naar hem. “Was je op dat moment suïcidaal”, vraag ik. “Nee.”, zegt hij. Ik vraag aan haar of ze dat wist. “Ik dacht het.”, zegt ze. Hij kijkt naar de grond. Ik vraag me af of ik het hardop moet zeggen. Ik doe het. Ik zeg dat de combinatie van angst om verlaten te worden en het gebruiken van woorden als laatste redmiddel op manipulatie lijkt. Ik zeg dat hij misschien niet dood wilde, maar wel wilde dat zij niet weg kon. Hij knikt niet. Zijn schouders zakken. Hij wordt kleiner op de stoel. Zij schraapt haar keel. Ze zegt dat ze hem niet kwijt wil, maar ook zichzelf niet. Ze zegt dat vertrouwen geen woord is maar een ritueel dat je elke dag moet uitvoeren. “Ik ben bang dat je weggaat.”, zegt hij zacht. Hij zegt het en ik voel dat de sfeer verandert. Soms is het genoeg als iemand iets op de juiste manier durft te zeggen. Ik geef de regie terug aan hen. Wat ga jij doen als het gevoel komt dat zij weggaat. Wat ga jij doen als hij wegzakt in gedachten die alles willen opeten. We spreken wat af. Hij gaat praten voor het escaleert. Zij steunt, maar niet met de taak om hem te redden. Ik leg uit dat redden soms alleen maar uitstellen is.

Als ze weg zijn, ruikt de kamer naar parfum en koffie. Hij past binnen de groep om behandelt te worden. Twaalf weken begeleiding en dan staat iemand er weer alleen voor. De stagiair ademt uit. Ze zegt dat ze het spannend vond toen hij stil werd en zijn schouders naar binnen trok. Er is geen tijd om even bij te komen. De groep wacht online. Zes gezichten in rechthoeken, elk met een kamer die een verhaal probeert te verbergen. Iemand praat te snel, iemand praat niet, iemand zegt dat het wel gaat en bedoelt het tegenovergestelde. Ik laat hen werken, ik doe soms niets en dat is het lastigste wat er is. Na een uur is de lucht in mijn borst te groot voor mijn ribben. Ik moet beginnen met rapporteren. Zinnen die groter lijken dan de woorden waaruit ze bestaan. Ik lees terug of mijn taal niet harder is dan mijn bedoeling.

Dan terug naar huis. De bus komt als ik zwaai. De polder heeft geen zon meer. In de achteruitkijkspiegel van de chauffeur hangt een kruisje dat op en neer gaat bij elke hobbel. Ik kijk naar de passagiers en speel het spel opnieuw. De vrouw met het kind stapt al eerder uit. De man in de bodywarmer is er niet. Ik vraag me af of hij ergens in een kantoor staat te wijzen naar een plattegrond. De vrouw met het gezicht is er ook niet. De bus rijdt door. Mijn hoofd is nog in de kamer met het koppel. Ik zie zijn blik op de grond, haar handen op de tas, mijn eigen stem die net iets stiller werd. In de trein lijkt iedereen te weten waar ze heen moeten. Ik lees mijn aantekeningen. Ik zoek of ik een fout heb gemaakt of ik iets al te snel heb gezegd. Soms neem ik mensen mee naar huis. Als het mee naar huis gaat in het hoofd, weet ik dat ik er iets mee moet. Morgen maar bespreken met een collega die mijn valkuilen kent en ze niet veroordeelt.

Thuis plof ik neer met eten dat ik op zondag al heb gemaakt, zodat ik mezelf niets hoef te bewijzen aan het eind van de dinsdag. De was draait, de afwas wacht, de bank is een veilige haven met een kleed die ruikt naar mijn hondje die op bezoek was vorige week. Ik denk aan de ochtend, de man bij de muur, de koude lucht. Ik denk aan Yvonne die morgen weer vraagt waarom Teams niet luistert. Ik denk aan de vrouw met het kind in de metro en aan de vrouw met het gezicht zonder naam. Ik denk aan de code die iedereen kent. Ik denk aan hem. Aan de zoekterm op zijn telefoon. Ik denk aan haar. Aan hoe ze zweeg en toch alles zei. Aan hoe ze bleef zitten terwijl ze weg wilde lopen. Ik denk aan mijn eigen grens. Ik zet mijn mok op tafel en besluit dat vandaag genoeg is geweest. Morgen zwaai ik op tijd voor de bus, morgen leg ik weer uit wat we doen en waarom, morgen luister ik opnieuw naar iemand die iets probeert te zeggen zonder woorden. Nu doe ik het licht uit. Het donker in mijn kamer is zachter dan vanmorgen.

De wekker staat al klaar. Ik draai me op mijn zij.

Over de auteur