Schipbreukverhaal van Boaz Hoogland
1987- Het water komt in dunne straaltjes naar binnen stromen.
Boaz merkt het pas als het tegen zijn enkel tikt. Warm douchewater, koud zeewater, hij voelt het temperatuurverschil. Hij kijkt omlaag en ziet zijn zeep drijven, het zeepblokje is gevallen. Door het patrijspoortje begint het water met zijn meedogenloze kracht naar binnen te gutsen en in een paar seconden begint het zich te verzamelen op de vloer. 15 graden gekanteld. De vloer stond net ver genoeg scheef om hem uit balans te brengen, toen hij gealarmeerd uit de douche stapte. Al kijkend naar zijn slaapvertrekken herkende hij zijn plunjezak die al tegen de muur aandreef.
Het schip begon verder te hellen.
Eerst langzaam maar als gauw veel sneller. Te snel.
Boaz grijpt zijn onderbroek, trekt hem aan en begint in beweging te komen. 20 graden gekanteld. Het water blijft komen, er is weinig tijd. Hij probeert zich om hoog te trekken met steun van de muur in de gang. Hij ziet de trap, dat is zijn doel, de trap aan het einde van de gang leidt omhoog naar het dek. Als hij achterom kijkt ziet hij zijn spullen drijven, een radio, zijn tas, zijn handdoek.
Geen tijd.
In zijn onderbroek, met natte voeten op een vloer die niet meer horizontaal is. Weet hij zichzelf met moeite naar de trap te brengen.
Boven hem klinkt geschreeuw.
“Dek! Nu!”
De trap lijkt steiler dan eerst, of misschien is het het schip dat verder helt. Hij klimt, trekt zichzelf omhoog aan de trap. Zijn hart bonkt in zijn keel het voelt alsof de zwaartekracht niet meer weet waar hij hoort te zijn. Wanneer hij het dek bereikt, slaat de wind hem bijna terug naar binnen. De golven zijn hoog, hoger dan hij ze ooit heeft gezien. De lading hout kraakt en verschuift, kettingen staan strak gespannen.
De bemanning staat al bij het reddingsvlot.
“Hij gaat niet open!”
Er wordt getrokken. Geslagen. Niets. De container blijft dicht.
Het schip helt verder.
“Zodiac!”
De rubberboot komt los en slaat hard tegen de romp.
“Springen!”
Eén voor één verdwijnen ze in de golven.
Boaz blijft een fractie van een seconde staan. Hij kijkt naar het dek, naar het schip waar hij nog maar kort geleden vol verwachting op was gestapt. Dan springt hij. Het water is ijskoud. Het slaat de lucht uit zijn longen. Hij komt boven, hapt naar adem en grijpt de rand van de Zodiac. Met moeite hijst hij zichzelf omhoog en draait zich om. De Dutch kantelt verder. Te ver.
De romp draait langzaam, bijna onwerkelijk. De onderkant komt omhoog en de schroef steekt uit het water, nog draaiend. Het grootste deel van het schip verdwijnt onder water. Alleen de onderkant blijft over en steekt boven het water uit. Boaz kijkt verbijstert naar het bizarre beeld wat hem altijd zal bijblijven. Hij denkt nog: die camera van papa! Ik wil een foto maken. Maar realiseert zich al snel dat al zijn spullen weg zijn en hij alleen zijn onderbroek over heeft.
De Rust en de onrust van het water
Het begon heel anders.
Met zon, met verwachtingen en met een idee om een carrière te starten op het water.
Het kabbelen van water, het geruis van de wind, de warmte van de zon op je gezicht. Dit was het beeld wat Boaz Hoogland bij varen had. Als kind zat hij vaak op de boot van zijn opa en oma en daar ontstond zijn fascinatie. Zijn vader stelde hem regelmatig dezelfde vraag: wat wil je later doen? En Boaz gaf altijd hetzelfde antwoord. De scheepvaart in.
Zijn schooltijd verliep minder soepel. Vier jaar internaat voor de binnenvaart, daarna een MTS-opleiding die hij niet afmaakte. Stilzitten en luisteren waren niet zijn sterkste kanten. Via een connectie van zijn vader kreeg hij uiteindelijk een kans: werken als matroos op een vrachtschip. De Dutch.
Begin maart 1987 stond hij in Stavoren voor het eerst oog in oog met het schip. Het was groter dan hij zich had voorgesteld, massief en indrukwekkend. Met zijn plunjezak over zijn schouder liep hij de loopplank op. Dit was het begin van een nieuw avontuur, dacht hij. En een avontuur zal het worden. Aan boord werd hij snel opgenomen als één van de in totaal zeven bemanningsleden. Er was weinig tijd voor uitleg. Hij kreeg een hut toegewezen, deelde die met collega Rik de Rooij en werd vrijwel meteen aan het werk gezet. Het leven aan boord bleek minder spectaculair dan hij had verwacht. Dagen bestonden uit onderhoud: roest bikken, verven, schoonmaken en het vastzetten van de lading hout met kettingen en spanbanden. Het uitzicht veranderde nauwelijks alleen water, dagenlang.

Hij werd zeeziek. Op die momenten trok hij zich terug in de machinekamer, het diepste en rustigste punt van het schip. Daar vond hij nog iets van houvast: de techniek was voorspelbaar, logisch. In tegenstelling tot de zee. Langzaam begon het besef door te dringen dat het beeld dat hij had gehad misschien niet klopte. De zeeziekte en heimwee naar zijn thuisfront confronteerden hem met dat besef.
Thuis keek zijn moeder, Ima, met gemengde gevoelens naar zijn keuze. Ze respecteerde zijn beslissing, maar had haar twijfels. Ze had hem liever een richting in de techniek zien kiezen, iets stabielers, minder gevaarlijk en iets minder ver weg.
“Weet je het zeker?”
“Ja mam.”
“Het is niks voor jou, dat varen.”
“Jawel.”
Ze liet hem gaan, maar iets voelde niet goed.
Tijdens zijn reis was er weinig contact. Af en toe een brief, soms weken niets. In een van die brieven schreef hij over een haven in Rusland, waar hij blikjes cola uitdeelde aan lokale bewoners. Het waren kleine verhalen, fragmenten van een leven dat voor haar grotendeels onzichtbaar bleef. Ze las ze aandachtig, maar bleef denken dat dit avontuur tijdelijk zou zijn. Ze voelde aan dat er iets niet klopte aan het avontuur waar haar zoon aan begonnen was.
Schipbreuk in onderbroek
De dag van de ramp begon zonder bijzonderheden. Het was een zonnige dag, de golven waren niet onrustiger als normaal. Tot het moment dat alles kantelde.
In de Zodiac zit Boaz te trillen, de kou nog in zijn lijf en de adrenaline die langzaam begint weg te zakken. Om hem heen zit de rest van de bemanning. Niemand zegt iets. Ze kijken allemaal naar hetzelfde beeld: het gekantelde schip met alleen de romp die nog uitsteekt. De zee lijkt ondertussen alleen maar ruiger te worden. Na ongeveer twintig minuten verschijnt er in de verte een schip, een standby-boot van een nabijgelegen booreiland. Voor de bemanning voelt de twintig minuten als een uur. Ze worden aan boord gehaald en krijgen dekens om zich heen geslagen. Wat hierna volgde, raasde in een stroomversnelling langs Boaz heen. Een helikopter van de Royal Air Force, de oversteek naar de Engelse kust, een ziekenhuiscontrole.
In Nederland gaat ondertussen de telefoon.
Ima neemt op. Aan de andere kant van de lijn klinkt een zakelijke stem die haar vertelt dat de Dutch is vergaan. De bemanning zou van boord zijn gegaan, maar over Boaz is nog geen bevestiging. De woorden komen binnen, maar landen niet meteen. Ze blijft even stil nadat ze heeft opgehangen, alsof er nog iets moet volgen. Niet veel later belt haar vader. Als zendamateur had hij het nieuws al eerder opgevangen. De ramp was al onderweg via de ether, nog voordat er zekerheid was.
Toch heeft ze een gevoel dat op dat moment moeilijk te verklaren was. Boaz leeft nog.
Later die avond gaat de telefoon opnieuw.
“Hoi mam met Boaz.”
De spanning valt in één keer van haar af.
“Gaat het?”
“…ja.”
“Weet je het zeker?”
“Ja.”
Zijn antwoorden zijn kort, afstandelijk. Alsof hij er nog niet helemaal bij is. Het besef van wat er precies was gebeurd, was nog niet tot hem doorgedrongen
Van koers veranderd
De volgende dag staan Ima en haar man op Schiphol. In haar hand houdt ze een paar schoenen. Iets praktisch, iets kleins, maar het voelt als het enige wat ze op dat moment kan doen. Wanneer Boaz door de schuifdeuren naar buiten komt, ziet ze meteen dat er iets veranderd is. Hij is er, fysiek, maar zijn blik is anders. Afwezig bijna.
Ze omhelst hem.
In de dagen daarna vertelt hij het verhaal steeds opnieuw. Aan familie, aan vrienden. Elke keer begint hij bij hetzelfde moment: het water, het hellen, het springen. Door het te herhalen lijkt hij grip te krijgen op wat er gebeurd is, valt Ima op.
Langzaam wordt ook duidelijk wat de oorzaak was. Een storing in de automatische piloot zorgde ervoor dat het roer niet meer goed reageerde. Tegelijkertijd stond er een sterke zijwind die tegen de hoog opgestapelde lading hout drukte. Die combinatie bleek fataal. Het schip kon de kracht niet meer corrigeren en kapseisde. Voor Boaz is de conclusie snel duidelijk. Hij gaat niet meer terug naar zee. Wat begon als een jongensdroom eindigde in een ervaring die hij niet nog eens wil meemaken. Hij veranderd zijn koers en is de olie en gaswinning ingegaan. Een stabielere plek waar techniek en de zee samenkomen.
Hoewel scheepsrampen vaak worden geassocieerd met het verleden, komen incidenten op zee nog steeds voor. Door technologische vooruitgang en strengere veiligheidsregels is het aantal ongelukken afgenomen, maar volledig verdwenen zijn ze niet. Volgens recente rapporten van internationale maritieme organisaties komen scheepsincidenten nog altijd jaarlijks voor. De zee blijft een onvoorspelbare factor, en zelfs moderne systemen kunnen falen.
De schipbreuk van de Dutch in 1987 laat zien hoe snel een ogenschijnlijk normale werkdag kan omslaan. Twintig minuten waren genoeg. Wat Boaz vooral bijblijft, is niet alleen de angst of de kou, maar het beeld van het schip dat verdween. Het moment waarop iets groots, iets dat zo solide leek, langzaam kantelde en uiteindelijk volledig uit zicht verdween. De kracht van het water is onvoorspelbaar.
Bronvermeldingen:
Allianz Global Corporate & Specialty. (2025). Safety and shipping review 2025. Geraadpleegd op 27 maart 2026, van https://commercial.allianz.com/news-and-insights/reports/shipping-safety.html
European Maritime Safety Agency. (2023). Annual overview of marine casualties and incidents 2023. Geraadpleegd op 6 april 2026, van https://www.emsa.europa.eu/emsafe