Versuft ligt Elisa op een ziekenhuisbed, ver van huis. Beduusd. Bebloed. Op haar verband is amper meer een wit plekje te zien. Ziekenhuismedewerkers lopen af en aan.
Dat haar pink nog aan haar hand zit, is een wonder. En de snee in haar armholte loopt tot aan haar bot. Gelukkig is haar slagader niet te hard geraakt; ze had wel dood kunnen zijn, denkt ze terwijl er een ziekenhuismedewerker met een nieuwe verbandrol komt aanlopen.
Angst giert door haar lichaam. Vlagen van duizeligheid overvallen haar voortdurend en de vrees om weg te vallen wordt steeds groter, zo veel bloed is ze verloren.
De vingers van haar vriendin Cyntia vliegen ondertussen over het toetsenbord van Elisa’s telefoon. Ze zoekt naar woorden. Hoe vertel je aan de familie en beste vrienden van een meisje dat je amper een paar weken kent wat er net is gebeurd?
Ze verstuurt na wat woorden wikken en wegen het Whatsappje naar Elisa’s familie en beste vriendinnen. In de meeste chats verschijnen direct twee grijze vinkjes.
“Hoi, mijn naam is Cyntia. Ik verblijf in een hostel samen met Elisa. Wij gingen, samen met een andere jongen, naar de African Pool, maar zijn onderweg aangevallen. Ze is oké, maar is meerdere keren gestoken met een groot machete mes. Ze heeft twee diepe wonden en verliest veel bloed. Zo meteen wordt ze geopereerd.”
Als Elisa anderhalf uur later ontwaakt uit narcose en haar ogen opent, richten vijf bezorgde, maar opgeluchte blikken zich op haar. “Elisa, je bent er weer!” De woorden komen maar half binnen. Weer? Hoezo weer? En wat is er überhaupt gebeurd?
Langzaam worden haar herinneringen weer helder.
Met een groot machete mes had een man wild op haar ingehakt, in de hoop haar tas te ontfutselen.
Drieënhalve week eerder vloog Elisa naar Kenia. Het is juni 2024. Ze heeft een tussenjaar en wil, avontuurlijk als ze is, eropuit. Mensen helpen die het minder hebben dan zij, dat is haar doel.
Als vrijwilliger in de Keniaanse hoofdstad Nairobi werkte ze op een basisschool. Ze gaf onder meer Engelse les en rekenen, en werkte in een medisch kamp als verzorgster. Ze had dit avontuur al een paar jaar willen aangaan. Maar het rooskleurige beeld dat ze voor vertrek voor ogen had, correspondeerde niet altijd met de werkelijkheid, ook al voor vandaag.
“Naar Kenia? In je eentje? Ben je gek?”, hadden haar vrienden gezegd toen ze haar vertrek aankondigde. Een half jaar voor haar vertrek waren Kenianen nog massaal de straat opgegaan om zich uit te spreken tegen de hardnekkige femicide in hun land. Later volgden protesten omdat volgens jongeren talloze doden en verdwijningen nooit zijn opgehelderd.
Ze ging weliswaar met haar moeder heen, maar zou het grootste gedeelte van de reis op haarzelf aangewezen zijn. Komt wel goed, dacht ze. Ze kent zichzelf: zelfredzaam, veerkrachtig, sociaal. En hoe gevaarlijk kan het nou echt zijn? Zonder al te veel voorbereiding vertrok ze, op het snijvlak tussen enthousiasme en naïviteit.
Meerdere gezichten
“Elisa, hoe gaat het met je, ben je oké?” Het bloeden is na de operatie vrijwel gestopt. De verdovingen overmeesteren de pijn. Ze probeert bij te komen van de schok, rustig adem te halen.
Twee dagen geleden had ze een punt gezet achter haar vrijwilligersperiode en reisde ze naar het dorpje Diana Beach, aan de Indische Oceaan, ruim zeven uur met de trein vanuit Nairobi. Ze liet een stad met meerdere gezichten achter zich. Aan de ene kant van de stad van ruim drie miljoen inwoners keek ze op tegen torenhoge, moderne kantoorgebouwen van multinationals. Mannen liepen er in pak. Minder dan 0,1 procent van de Keniaanse bevolking bezit meer vermogen dan de onderste 99,9 procent samen.
De andere kant van de stad, waar ze vrijwilligerswerk deed, leek haast een andere wereld. Broodmagere mensen die in de brandende zon fruit verkochten langs de weg. Ze sliepen in tenten, of hadden met een paar golfplaten iets gebouwd waar in ieder geval altijd schaduw was en geslapen kon worden. Overal op straat lag afval. De stank was niet te verduren.
Als ze onderweg was naar de school waar ze lesgaf en door de sloppenwijken van Nairobi liep, werd ze altijd vergezeld door twee bodyguards. Taxichauffeurs wilden de sloppenwijk niet in, en alleen daar lopen zou te gevaarlijk zijn. Om de twintig meter kreeg ze wel een opmerking. “Muzungo!”, blanke, hoorde ze het vaakst. Maar het was ook weleens venijnig. “I want to fall in love with you”, riepen mannen, terwijl ze met begerige ogen naar haar billen keken.
Een onveilig gevoel was haar niet vreemd op haar reis, maar dat dit kon gebeuren ging haar voorstellingsvermogen te buiten.
Doodlopend
Een paar uur geleden is ze aan de dood ontsnapt. Nog nooit was ze er zo dichtbij geweest. Het bloed bleef maar stromen.
Het gebeurde allemaal onderweg naar de African Pool, een getijdenbad aan de Indische Oceaan. Ze zou met een grote groep gaan van het hostel waar ze sliep, maar voor het gros genoot die ochtend uitbrakken de voorkeur. En zo bleven Elisa, Cyntia en Florian, een Duitse reiziger, over.
Aangekomen op de zonovergoten tuk tuk-standplaats voor een rit richting de African Pool, zag ze hoe chauffeurs alles uit de kast haalden om de drie reizigers ervan te overtuigen om bij hen in te stappen. Op de prijzen die ze kregen aangeboden voor de rit was geen pijl te trekken. De chauffeurs waren opdringerig. Te opdringerig misschien, dacht ze.
Terwijl de woekerprijzen Elisa om de oren vlogen, was Cyntia honderd meter verder gelopen, waar een ander plukje tuk tuk-chauffeurs stond. Daar had zij een chauffeur gevonden wiens ritprijs haar net zo solide leek als zijn persoonlijkheid.
Elisa, doorgaans goed van vertrouwen, stapt nu door een ogenschijnlijk gebrek aan beter met argwaan in. “Naar de African Pool, alsjeblieft”, zegt ze nog maar een keer voor de zekerheid.
Aan de rand van het dorpje stopt de chauffeur prompt bij een marktje. Hij moest even eten halen, zei hij. Maar toen hij even later ook begon te bellen, groeide Elisa’s argwaan. Waarom nu? Kan dat niet na het ritje?
Nog verbaasd over de ritonderbreking rijden ze verder, het bos in. De paden daar zitten vol met kanjers van kuilen, die de drie reizigers op de achterbank tegen het dak van de tuk-tuk katapulteren. Alle drie in liggen ze in een deuk. De argwaan verdwijnt naar de achtergrond.
Maar die komt twee keer zo hard terug als de chauffeur een doodlopend pad is ingereden. Elisa bekruipt een unheimisch gevoel. “Heb je een afslag gemist?”, vraagt ze. “Yes”, frommelt de chauffeur gehaast uit zijn mond.
Hij draait om en rijdt stapvoets weer terug. Twee mannen die ze eerder al op de rug had gekeken, ziet ze nu van voren. Als ze een van de mannen nu begroet, krijgt ze een kille blik terug. Ze schakelt van alertheid door naar een opperste staat van paraatheid.
En dan gebeurt het. Een lange, sterke arm grijpt vanaf buiten de tuk-tuk naar haar rode leren tas en begint eraan te trekken. Steeds harder. “Rijden!”, schreeuwt Cyntia, die in het midden zit.
Maar de chauffeur rijdt de rennende overvaller er niet uit. Het gevecht om haar tas gaat door. Met alles wat ze heeft, probeert Elisa haar tas bij zich te houden. Haar mobiel en haar camera, die alle herinneringen van de afgelopen weken herbergt, zitten erin. Angst voelt ze amper op dat moment. Het is de vechtlust, die ze altijd al heeft gehad, die zijn climax bereikt.
Het gevecht om haar tas blijft doorgaan. Als ze de man even in zijn ogen kijkt, ziet Elisa dat het inderdaad de man is die haar even eerder nog zo kil had aangekeken.
Hij blijft trekken aan haar tas, maar als blijkt dat dat niet genoeg is, trekt hij een machete mes van zeker een halve meter. Als dreigement, denkt ze, terwijl ze nog altijd stevig greep houdt op haar tas. Maar als hij even later wild met het mes begint te hakken, blijkt het menens.
Terwijl de tuk-tuk door alle hobbels in de weg nog altijd niet genoeg vaart kan maken om de overvaller af te schudden, probeert Elisa zichzelf in de kofferbak van de tuk-tuk te frommelen, nog altijd met haar tas stevig in handen.
Cyntia probeert ondertussen met haar tas de arm van de overvaller weg te slaan. “Stop! Please, stop!”, schreeuwt Elisa naar hem. Hij blijft wild hakken met het machete mes. Meestal raakt hij enkel lucht, maar soms raakt hij Elisa’s arm. Door de allesoverheersende adrenaline voelt ze de steken nog niet, laat staan de pijn ervan.
Bikiniverband
Pas als ze in de kofferbak ligt en de overvaller is afgeschut, ziet ze dat ze serieuze verwondingen heeft. Het was haar door de adrenaline nog niet opgevallen, nu ziet ze pas hoe diep de twee sneeën zijn die ze heeft opgelopen.
Door een diepe snee tussen haar pink en ringvinger, bungelt haar pink nog maar net aan haar rechterhand. Was de snee nog twee centimeter dieper, lag haar pink vermoedelijk nog in de Keniaanse bossen. Met haar reservebikini probeert Cyntia Elisa’s pink onderdeel van haar hand te laten blijven en het bloeden, voor zover mogelijk met een bikini, te stoppen.
Om de linkerarmholte van Elisa, waarin een nog diepere snee zit die pas bij haar bot ophoudt, bindt Cyntia haar sjaaltje. Alles om het uit de wond gutsende bloed te stoppen, want het blijft maar stromen.
Terwijl Elisa verkreukeld in de kofferbak ligt – de kuilen zijn nu wat minder grappig dan op de heenweg -, overheersen twee gedachtes. Allereerst: zichzelf redden, kalm blijven, rustig ademhalen. Daarnaast denkt ze aan haar familie en vrienden in Nederland. Terwijl Elisa het moment intens meemaakt, hebben zij nog geen idee van wat zich ruim 7 duizend kilometer verderop afspeelt.
Aangekomen in het ziekenhuis worden de bikini en sjaal vervangen door verband en volgt – na aanvankelijke tegenstribbelingen van het ziekenhuispersoneel omdat ze eerst zeker wilden weten of ze wel betaald zouden worden – een operatie.
Elisa slaapt een nacht in het ziekenhuis, en vertrekt daarna naar Nairobi om vanaf daar samen met haar moeder, die na het incident het eerste de beste vliegtuig naar Nairobi had gepakt, weer terug naar Nederland.
Eenmaal een aantal weken terug in Nederland – ze moest het verhaal eindeloos navertellen – geeft de verwerking van het incident haar leven vooral een positieve wending. Hoewel de eerste weken na haar terugkomst het trauma haar leven overheerste en rillingen nog altijd door heel haar lichaam lopen bij het zien van een keukenmes – laat staan een nog groter mes -, kan ze nu meer genieten van de kleine dingen.
“Heel waardevol”, zegt ze. “Om het goed te verwerking heb ik er veel over gepraat, vooral met mijn moeder. Ik weet nu dat het leven plotseling voorbij kan zijn, en dat het daarom belangrijk is om juist ook van de kleine momenten te genieten.”
Ook haar moeder, Janet, ziet hoe Elisa is veranderd. Enerzijds nog dezelfde opgetogen, sociale en zelfstandige vrouw, tegelijkertijd nog sterker geworden. “In de weken nadat ze thuiskwam, was ze depressief. Ja, zo zou ik het wel noemen. Maar ze heeft daarna de traumatische randjes steeds meer van de herinnering afgeschud.” Janet heeft nu een dochter die midden in het leven staat. Een dochter die niks wil missen van het leven. “Gebeurtenissen die je niet dood maken, maken je alleen maar sterker”, denkt ze inmiddels.
Dat gaat in ieder geval op voor Elisa. Ze reist weer. Naar Mexico en naar Indonesië is ze geweest. Nog altijd met het incident in haar achterhoofd, maar ze voelt zich weer vrij op reis. Weer sterk genoeg om de wereld te ontdekken.
En nu weet ze: “Hoe dichter je bij de dood bent geweest, hoe meer je het gevoel kan hebben dat je leeft.”
