Knal aan de Genestetlaan

Knal aan de Genestetlaan

Het is woensdagavond 21 december 2022. De Genestetlaan in Roosendaal ligt er rustig bij. Er is geen wind, prachtig voor de tijd van het jaar, bijna tien graden. Als je nog buiten loopt, kun je in de verte mensen vuurwerk horen afsteken. Verder geen bijzondere avond. Het is zo’n avond die nergens naartoe lijkt te gaan.

In een van de huizen staat Peter Brouwers, 59 jaar, in zijn achtertuin onder het afdak bij de schuur te barbecueën op een barbecue van Weber. Hij woont alleenstaand met zijn hond Gerrit in een rijtjeshuis. Overdag heeft hij nog met veel tegenzin gewerkt; hij moest prullenbakken leegmaken bij een winkelcentrum. Daarna heeft hij bier gehaald. Niet veel. Gewoon een paar.

Op de barbecue liggen speklappen. Het vet sist zodra hij ze omdraait. Barbecueën doet hij altijd buiten, want dan blijft de lucht binnen schoon. Hij weet precies hoe lang het vlees nodig heeft. Hij doet de speklappen in een bakkie en neemt ze mee naar binnen.

Buiten is het onrustig door het vuurwerk. “Ik wil ze niet in de schuur laten staan, ik zet de gasflessen even naar binnen,” zegt Peter. Hij koppelt de gasfles los. In de gang zet hij de gasflessen van de barbecue neer. Veilig, denkt hij.

Na het eten wast Peter af, doucht en trekt makkelijke een pyjama aan. Hij heeft kerstvakantie, de avond is van hem. Hij gaat op de bank zitten. Het scherm gaat aan, de PlayStation 4 start met zoemen. De online match kan beginnen. Gerrit ligt ergens in huis, op zijn kussen.

Een paar minuten later verandert alles. BOOM!

De explosie komt zonder waarschuwing. Geen seconde bedenktijd. In de gang vliegen stukken door de lucht. De gasfles stond niet helemaal dicht. Peter voelt hitte langs zijn armen en benen trekken. Zijn oren zijn niet alleen verdoofd, ze piepen. Van schrik zet hij zijn handen voor zijn gezicht. Later zal blijken dat juist dat zijn gezicht redde, maar zijn armen raken zwaar verbrand.

Blussen met de waterkraan lukt niet. Hij rent zijn huis uit en buiten helpen zijn buren hem. De gasfles wordt gelanceerd en belandt op het bed. Dan zegt Peter tegen zijn buurman: “Wacht even, mijn hond zit er nog binnen.” Zijn buurman roept: “Nee Peter, laat de hond maar zitten!” Hij luistert naar niemand en rent nog een keer naar binnen.

In de woonkamer ziet Peter Gerrit tussen de kast en de bank op zijn kussen schuilen. Als hij zijn naam roept, komt Gerrit naar de gang. Hij pakt Gerrit op en loopt naar buiten, waar hij wordt geholpen door zijn buurman. Hij wordt vastgepakt en onder de douche gezet. Lauw water stroomt over zijn verbrande huid.

Kort daarna belandt hij in de ambulance. Doeken worden om hem heen gelegd. De adrenaline loopt nog steeds door zijn lichaam door de redding van Gerrit. Pijn voelt hij nauwelijks, alles is verdoofd. In de ambulance zijn vier mensen die hem helpen. De ambulance brengt hem naar het Maasstad Ziekenhuis in Rotterdam.

Gerrit is veilig. Eerst wordt hij opgevangen door een vriendin, daarna door familie in België. Hij heeft geen trauma opgelopen en is zonder verwondingen levend uitgekomen

Een paar straten verderop gaat de telefoon bij Hans, Peters broer. Het is laat. Hij was al klaar om naar bed te gaan, maar besluit toch op te nemen. “Er is iets gebeurd met je broer,” zegt een buurvrouw van Peter. “Er is een explosie geweest.” Hans trekt zijn jas aan en rijdt te hard richting het huis van zijn broer. Hij kan niet aankomen op de Genestetlaan, de hele straat is afgezet. Brandweerwagens, politielinten. De politie laat hem niet door. “Dat is mijn broer die daar woont,” zegt Hans tegen de politieagent.

Het huis van zijn broer is compleet ontploft. De voorgevel is weg. De achterkant ook. Het dak is eraf. De schuur staat er nog. De scooter staat er ook nog, die stond gelukkig in de schuur. Het hele blok is ontruimd. Als één muur instort, kan alles meevallen. Acht woningen worden deze avond leeggehaald.

Hans hoort dat zijn broer met de ambulance naar Rotterdam is gebracht, naar het Maasstad Ziekenhuis. Onder politiebegeleiding. Hij kan het niet geloven. Nog geen half uur geleden kreeg hij berichten van zijn broer over hoe ze kerst zouden gaan vieren. Peter was enthousiast aan het appen over wat ze allemaal moesten halen voor aan tafel. Ze zouden gaan barbecueën en Peter zou ribeyes bakken. Hans rijdt vanuit Roosendaal richting Rotterdam, samen met de politie.

In het Maasstad Ziekenhuis ligt zijn broer op een bed. Zijn huid verkleurt. Hans ziet hoe zijn broer verandert in iets wat hij nauwelijks herkent. Artsen praten over infecties. Over mogelijke verbranding van de longen en dat hij daardoor in coma kan belanden. Ze praten over alles wat er mis kan gaan. Over hoge koorts. Over risico’s. Hij ziet zijn broer verdwijnen richting de operatiekamer.

De volgende dag ziet Hans zijn broer weer. Het eerste wat Peter tegen hem zegt is: “Je moet mijn baas bellen, ik kan morgen niet werken.” “Dat weet ik zelf ook wel,” lacht Hans.

Peter ligt weken in het ziekenhuis. Zijn lichaam is ingesmeerd met crème. Zijn huid verkleurt: eerst rood, later donker, bijna zwart. Brandwonden. Overal. Hij kan zichzelf niet zien. Hij lijkt wel een mummie. Verbanden worden dagelijks verwisseld. De pijn is intens, de jeuk net zo erg. “Je hebt geluk gehad,” zegt een arts.

Na een revalidatieperiode in Breda gaat het mis. Het eten is niet goed, de verzorging is ook slecht. Zijn wonden worden niet goed verzorgd en raken geïnfecteerd. Hij krijgt een infectie met Pseudomonas aeruginosa, een bacterie die vaak voorkomt bij brandwonden en moeilijk te bestrijden is. Hij keert terug naar Rotterdam. Daar krijgt hij azijndoeken op zijn benen om de bacterie te bestrijden. De pijn is heftig. Hij ziet groene sneeuw van de pijn.

Terug in het ziekenhuis gaat het langzaam beter. Na weken verlaat Peter de intensive care. Hij loopt met een rollator over de afdeling. Hij leeft, maar het herstel is zwaar. Brandwonden genezen traag. Eerst is er jeuk, daarna pijn. Hij kan niet krabben. Hij kan niets. Operaties volgen, plastische chirurgie.

Ondertussen loopt het politieonderzoek nog. Hij wordt verhoord. Verdacht van brandstichting. Hij zit in een kale kamer, aan een tafel, en vertelt wat hij deed die avond.

Peter verdacht van brandstichting. Er wordt gesproken over opzettelijk handelen. Een familielid verklaart dat hij gasflessen zou gebruiken om te stoken. Hans praat met de politie.

“Wat deed u die avond?” vraagt de politieagent.

“Ik heb gebarbecued,” zegt Peter. “Gedoucht. Ik zat te gamen.”

“Waarom stonden de gasflessen binnen?”

“Vanwege vuurwerk.”

Er zijn veel speculaties dat hij het huis de zou aan opwarmen zijn. Dat die beperking heeft, geestelijke gestoord is. Dit was zeker geen plan en ook geen poging tot zelfdoding. Dit was een ongeluk. Iets is niet goed dicht geweest. Meer niet. Onderzoek loopt door, maar duurt maanden.

Hans praat met de politie. Er zijn veel speculaties: dat hij zijn huis zou willen opwarmen, dat hij een beperking heeft, dat hij geestelijk niet in orde zou zijn. Dit was geen plan en geen poging tot zelfdoding. Dit was een ongeluk. Gasfles was niet goed dicht gedraaid. Meer niet.

Het onderzoek loopt door en duurt maanden. In augustus 2023 valt de brief op de mat: geen bewijs, niet schuldig.

Nu woont Peter in een appartement, vlak bij waar hij vroeger woonde. Hij kookt op inductie. Gas komt zijn huis niet meer in. Hij werkt weer. Hij sport drie keer per week. Hij bowlt. Hij gamet nog steeds ’s avonds. Barbecueën doet hij niet meer zelf, dat laat hij aan anderen over. Hij zit erbij, met een biertje. Dat is genoeg.

Over de auteur