Midden in het atelier staat een grote, stevige stoel op wieltjes. Geen pronkstuk, maar eerder een soort werkstoel. De vloer is glad, waar verf op kan spatten zonder dat het tussen scheurtjes en kieren verdwijnt. Alles in de ruimte lijkt gericht op functioneren. Niet om indruk te maken, maar echt om er lekker te kunnen werken.

Het atelier is van Gerart Kamphuis. Al jaren werkt hij vanuit deze plek, experimenteert hij en maakt hij kunstwerken. Wie hem wil begrijpen zou ook hier moeten beginnen. Niet bij een biografie of een lijst van tentoonstellingen, maar bij de plek waar hij dagelijks is. Tussen zijn doeken, kwasten en de koffers die hij jarenlang mee naar school nam, wordt pas zichtbaar hoe hij kijkt, denkt en werkt.

De eenling

Wanneer hij zichzelf omschrijft zonder het over zijn werk te hebben, valt er een korte stilte. Hij denkt even na, alsof hij zijn woorden zorgvuldig wil kiezen. Dan zegt hij dat hij een eenling is. Iemand die het beste functioneert in een kleine setting. In grote groepen raakt hij namelijk het overzicht kwijt. Alleen zijn voelt voor hem dus niet als een gemis, maar eerder als rust.

Tegelijkertijd noemt hij andere rollen die net zo vanzelfsprekend deel uitmaken van zijn leven. Hij is vader van vijf kinderen, getrouwd en nieuwsgierig naar wat zich aandient. Jarenlang stond hij voor klassen vol leerlingen, soms wel dagen achter elkaar. Ook daarin zocht hij de kleine setting. Als iets tegenzit, loopt hij daar niet omheen. Hij kijkt ernaar, probeert te begrijpen wat er gebeurt en zoekt dan naar een oplossing.

Het kunstenaarschap ervaart hij als een eenzaam beroep. Veel tijd wordt alleen doorgebracht, werkend in een eigen ruimte. Om hem heen ziet hij anderen met hetzelfde bestaan. Soms is er een kort praatje met een buur, even in de deuropening, waarna ieder weer teruggaat naar het eigen atelier. Die eenzaamheid ziet hij niet gelijk als iets negatiefs, maar meer als een gegeven.

Liever tekenen

Tekenen deed Kamphuis al vroeg. Terwijl de andere kinderen buiten aan het voetballen waren, zat hij liever binnen met een potlood en een papier. Niet omdat het moest, maar omdat het vanzelf ging. Hij vertelt over een verfdoosje dat hij als kind van zijn vader kreeg en dat hij steeds weer tevoorschijn haalde. Het tekenen en schilderen waren geen bewuste keuze, maar een bezigheid die er gewoon was. Pas later, tijdens de tekenlessen op school, werd dat opgemerkt en benoemd.

Hij herinnert zich een les waarin een verhaal werd voorgelezen en de klas de opdracht kreeg om te tekenen wat ze hoorden. Veel kinderen tekenden letterlijk wat er werd verteld. Kamphuis tekende wat zich in zijn hoofd vormde. Hij volgde niet het verhaal, maar het beeld dat daarbij ontstond. Dat verschil was er dus al vroeg, al stond hij er toen nog niet bij stil.

Een toekomst in de kunst lag ook niet meteen voor de hand. Kunst werd vanuit huis niet gezien als een veilige keuze. Daarom begon hij eerst aan een opleiding pedagogiek. Dat voelde wel logisch, maar niet helemaal goed. Hij stopte en pakte het maken weer op. Niet als een nieuw begin, maar als iets dat hij nooit echt had losgelaten.

Het slootje bij de moestuin

Wanneer het gesprek over inspiratie gaat, komt Kamphuis niet uit bij musea of grote namen. Hij begint bij zijn vader en het slootje van een volkstuintje in Rokkeveen.

Zijn vader zat bij een volkstuin, waar naast de moestuin ook een slootje bij hoorde. Om erbij te komen moest je op een specifiek klein vlondertje zitten. Kamphuis vertelt hoe hij als kind koffie bracht en daarna met een grote zinken gieter water uit het slootje ging halen. In dat water zag hij een hele wereld. Op het oppervlak bewogen kleine insecten en even later verschenen stekelbaarsjes. Nog dieper lag een zeeltje in de modder. Tussen alles door zag hij ook zijn eigen spiegelbeeld.

Op het moment dat hij de gieter in het water dompelde, kwam alles in beweging en vluchtte wat hij net had gezien. Dat beeld is gebleven.

Sinds dat moment, zegt Kamphuis, is water zijn belangrijkste inspiratiebron gebleven. Soms is water in zijn werk ook daadwerkelijk het onderwerp. In ander werk zie je het niet letterlijk terug, maar zit het in hoe hij kijkt en werkt. In beweging, in gelaagdheid en in het laten vloeien van verf. Hij benadrukt dat hij niet op imitatie uit is. Het gaat hem niet om het nadoen, maar echt om het doorwerken.

Experimenteren als ontwikkeling

Kamphuis ziet zijn ontwikkeling dan ook niet als een rechte lijn, maar als een traject van zoeken en uitproberen. Hij combineerde schilderen met druktechnieken en etsen en dat is iets wat hij nog steeds doet. Experimenteren is daarom ook altijd onderdeel van zijn werk gebleven.

Zijn beeldtaal veranderde door de jaren heen. Zwart en wit maakten plaats voor nuance, eerst door grijs en later door kleur. Die ontwikkeling was niet vooraf bedacht, maar ontstond gaandeweg. Ook de invloed van kinderkunst benoemt hij. De onbevangen, directe manier van werken nam hij mee in zijn eigen proces.

Kinderen en koffertjes

Naast zijn eigen werk gaf Gerart Kamphuis jarenlang teken- en schilderles aan kinderen op de basisschool. Het was niet zijn oorspronkelijke plan om leraar te worden, maar iemand wees hem erop dat hij zijn manier van werken goed kon overbrengen op kinderen. Hij moest aan dat idee wennen en besloot het te proberen, met de gedachte dat hij zou stoppen als het niets voor hem bleek te zijn.

Voor elke les nam hij weer een specifieke koffer mee naar school. In die koffer zat dan zijn materiaal, maar vooral ook zijn uitgeschreven ideeën. Vanuit die basis bouwde hij zijn lessen op. Vaak begon een les dan met een verhaal, die hij met veel enthousiasme aan zijn publiek over probeerde te brengen.

Oud-leerling Samantha van Reijsen herinnert zich vooral hoe Gerart zijn lessen opbouwde. ‘Hij begon vaak met een verhaal en liet ons daarna zelf iets bedenken. Dan combineerde hij technische tekenkunst met creativiteit en inspireerde niet alleen mij, maar ook andere kinderen om echt hun fantasie te gebruiken. Zulke lessen zijn enorm waardevol.’ Ze kijkt met veel plezier terug op de lessen die ze van hem op de basisschool heeft gekregen.

Lesgeven aan volwassenen beviel hem minder. Dat probeerde hij wel, maar volwassenen vroegen veel en namen veel ruimte in. Bij kinderen werkte dat anders. Zij gingen gewoon aan de slag. Die directheid sloot beter aan bij zijn manier van werken.

Het kunstwerk met zijn vader

Achter in het atelier staat een kast waar Gerart een zelfgemaakt kunstwerk uit trekt. Het is een schilderij met verschillende lagen en kleuren. In de achtergrond is een foto van zijn vader te herkennen, in de voorgrond vliegen vogels in vazen. Zijn vader was een boerenzoon en gek van vogels. Tijdens wandelingen wees zijn vader vogels aan en noemde hun namen. Ze probeerden die te onthouden, maar dat lukte niet altijd.

Hij denkt weer even na en zegt dan dat dit werk voor hem veel betekent. Niet omdat hij dat vooraf zo had bedacht, maar omdat het tijdens het maken zo is geworden. Het schilderij raakt herinneringen die hij ook meeneemt in zijn werk.

Besef van impact

Lange tijd had Gerart Kamphuis niet door wat zijn werk en lessen bij anderen teweegbrachten. Hij was bezig met maken en met lesgeven en ging daarna weer verder. Niet omdat hij het onbelangrijk vond, maar omdat hij er echt niet bij stilstond. Het werk moest door. De lessen ook. Pas jaren later, toen oud-leerlingen hem begonnen aan te spreken en herinneringen deelden, werd langzaam zichtbaar wat er was blijven hangen. Ook het ontvangen van een oeuvreprijs en een koninklijke onderscheiding maakten dat besef concreter.

Die speelse houding zie je ook terug in de klokken die hij ooit maakte. Ze hangen in een ongeregeld groepje aan de muur bij zijn wasbak. Geen grote serie, gewoon die paar objecten waarin hij zelf bepaalde hoe tijd werd weergegeven. Een van die klokken had alleen een secondewijzer. Geen uren, geen minuten. Je kon er niet te laat of te vroeg op zijn. Die klok stelde geen eisen. Net zoals Gerart Kamphuis.