Punk wordt vaak beschreven alsof het iets is dat voorbij is: een jeugdcultuur uit de jaren zeventig, vastgepind op archiefbeelden van veiligheidsspelden, hanenkammen en rook in kraakpanden. In die nostalgische framing is punk een reliek: interessant voor musea, maar irrelevant voor het heden.
Wie vandaag een kleine zaal binnenloopt, ziet echter iets totaal anders: jonge mensen, volle moshpits, zelfgeorganiseerde shows en bands die schreeuwen over woningnood, oorlog, ongelijkheid en een toekomst die steeds verder uit zicht lijkt te raken. Punk is niet verdwenen; punk is veranderd en wordt vandaag grotendeels gedragen door boze jongeren die zich niet gehoord voelen.
Videomontage van actieve jonge punkbands
Muziek: Sex – Waterschade (Geertruida record label)
Boosheid als motor, niet als probleem
Die observatie staat niet op zichzelf. Cultuurwetenschapper Dick Hebdige beschreef subculturen al als vormen van symbolisch verzet: manieren waarop jongeren via stijl, muziek en gedrag reageren op maatschappelijke druk (Hebdige, 1979). Subculturen verdwijnen volgens hem niet wanneer hun oorspronkelijke vorm vervaagt, maar worden telkens opnieuw ingevuld door nieuwe generaties. Punk leeft dus niet ondanks maatschappelijke problemen, maar juist dankzij die problemen.
Boosheid speelt daarin een centrale rol. Niet als iets wat opgelost of gesust moet worden, maar als een gedeelde energie die richting geeft. Stuart Hall en Tony Jefferson stellen dat jeugdculturen vaak ontstaan vanuit structurele ongelijkheid: jongeren ervaren economische onzekerheid, politieke uitsluiting en een gebrek aan toekomstperspectief (Hall & Jefferson, 1976). Binnen punk worden die ervaringen samengebracht en gedeeld.
Dat herkent ook Ruben Bres (44), drummer van de punkband Hard Voor Weinig, die al ruim vijfentwintig jaar actief is in de scene. “Die frustraties komen gewoon steeds weer terug in nieuwe muziek,” zegt hij, “alleen de woorden veranderen.” Volgens Ruben is er één cruciaal verschil met het beeld dat vaak van punk wordt geschetst: jonge punkers zijn vandaag niet alleen publiek. “Het zijn mensen die echt actief zijn: in bands, in activisme of door op andere manieren te helpen.”

Foto: Michael Bosboom
Punk als houding en praktijk
Punk functioneert allang niet meer alleen als muziekgenre, maar als houding ten opzichte van de wereld. Ruben ziet dat duidelijk bij jongere bands. “Voor veel bands is het een uitlaatklep voor eigen emoties, maar ook om te zeggen wat er allemaal misgaat. Dat loopt vaak samen met activisme: benefieten organiseren, spullen verkopen voor goede doelen, demonstraties steunen.”
Niet elke punkband is expliciet politiek, benadrukt hij. “Sommigen doen het vooral voor het feest, maar dat zijn echt enkele uitzonderingen.” De kern van de scene draait volgens hem om betrokkenheid en verantwoordelijkheid.
Die observatie sluit aan bij het werk van sociologe Sarah Thornton, die stelt dat scenes draaien op cultureel kapitaal: inzet, aanwezigheid en toewijding zijn belangrijker dan commercieel succes (Thornton, 1995). Wie blijft komen, helpt organiseren en verantwoordelijkheid neemt, houdt een scene levend. Volgens Ruben gebeurt dat nu opvallend vaak door jongeren. “Zonder nieuwe mensen is het einde verhaal en ik zie juist steeds meer jonge bands, vrijwilligers en organisatoren. Dat is echt essentieel.”
Punk als ontwikkelingsruimte
Waarom voelen juist jongeren zich zo sterk aangetrokken tot punk? Ontwikkelingspsycholoog Marieke Wattel ziet daar een duidelijke verklaring voor. Jongeren bevinden zich in een levensfase waarin identiteitsvorming centraal staat. “Ze zijn continu bezig met de vragen: wie ben ik, waar sta ik voor en wie wil ik zijn?”
Subculturen bieden in die zoektocht iets wat de dominante maatschappij vaak niet doet: ruimte. Die ruimte zit niet alleen in muziek, maar ook in uiterlijk en gedrag. “Jongeren willen zich afzetten tegen wat als ‘normaal’ wordt gezien,” zegt Wattel, “via kleding, haar of piercings laten ze zien: dit is wie ik ben.” In de punkscene is die expressie niet alleen toegestaan, maar juist onderdeel van de cultuur.
Tegelijkertijd ervaren jongeren een spanning die kenmerkend is voor deze levensfase: ze willen uniek zijn, maar ook ergens bij horen. “Jongeren zoeken verbondenheid: ze willen zichzelf zijn, maar niet alleen”, aldus Wattel. Punk biedt precies die combinatie: afzetten tegen de buitenwereld, terwijl je binnen de scene juist erkenning en gemeenschap vindt.
Boosheid als gedeelde taal
Binnen punk fungeert boosheid als gedeelde taal. Wattel ziet punkmuziek als een geaccepteerde manier om frustratie en woede te uiten. “De teksten zijn vaak expliciet, ze benoemen waar je tegen bent en wat niet klopt.” Voor jongeren die nog zoeken naar woorden voor hun gevoelens kan dat enorm herkenbaar zijn.
Die boosheid past bij wat Erikson beschrijft als een belangrijke fase in jongeren hun identiteitsontwikkeling, waarin morele en politieke overtuigingen vorm krijgen (Erikson, 1968). Jongeren ontwikkelen een sterk gevoel voor rechtvaardigheid en denken in eerste instantie vaak zwart-wit. Punk neemt duidelijke standpunten in en biedt daarmee houvast. Zo fungeert de scene niet alleen als uitlaatklep, maar ook als oefenruimte voor het vormen van een wereldbeeld en samen ‘oplossingen’ te bedenken.
“We zijn boos, maar niet alleen”
Dat beeld wordt bevestigd door jonge punkers zelf. In gesprekken met Mila (21), Flip (23) en Skylar (18) komt punk naar voren als veel meer dan een muziekstijl. Ze spelen in bands, organiseren benefieten, helpen bij workshops of bouwen actief aan community. Punk is voor hen geen ontsnapping aan de wereld, maar een manier om erin te overleven.

georganiseerd door die en Mila

Foto: Tim Mai Tan
Mila vond haar plek via een stage bij jongerencentrum Flinty’s in Haarlem. “Ik wist niet eens wat punk was, maar ik zag die mensen en dacht: holy shit, wat cool.” Voor Flip voelde punk meteen veilig: “Qua idealen zit je vaak op één lijn: politiek, acceptatie, queer-zijn.” Die veiligheid is cruciaal. Flip groeide op in een christelijke omgeving en viel daar als trans, niet-hetero persoon buiten de norm: “in de scene is dat gewoon normaal.”
Skylar omschrijft punk als “een opvang voor mensen die anders zijn, een rugzakje hebben en gefrustreerd zijn over de wereld.”
Uit een enquête onder 23 jongeren van de hedendaagse punkscene blijkt dat punk voor hen veel meer is dan muziek. De meeste respondenten geven aan dat punk hen helpt om met emoties zoals frustratie en boosheid om te gaan. Ook maatschappelijke betrokkenheid is sterk aanwezig: veel punkers vinden dat punk politiek of maatschappelijk betrokken moet zijn en herkennen regelmatig maatschappelijke thema’s in teksten of tijdens optredens. Bijna alle deelnemers hebben door punk nieuwe mensen of vrienden leren kennen en ervaren de scene als een plek waar ze zich thuis voelen.


Jenna (19), bassist en vocalist van de punkband Waterschade, benadrukt hoe muziek deze gevoelens zichtbaar maakt: “op het podium kunnen we laten zien waar we boos over zijn, en het publiek mee laten voelen. Punk is voor ons een manier om te zeggen: kijk wat er misgaat en wat je eraan kunt doen.” Waterschade gebruikt hun nummers en optredens om thema’s als oorlog, machtsmisbruik, seksueel grensoverschrijdend gedrag en hypocrisie binnen de scene aan te kaarten. Voor Jenna laat dit zien dat punk vandaag de dag nog steeds een politieke en maatschappelijke rol kan spelen. “Juist extra en meer dan eerst.”

Foto: Lily
Van frustratie naar actie
De boosheid die deze jonge punkers ervaren is concreet en politiek geladen: kapitalisme, oorlog, racisme, fascisme, seksisme, klimaatverandering en ga zo maar door. “We serven met z’n allen één procent van de mensheid”, zegt Flip. Mila vult aan: “het idee dat iemand meer rechten heeft omdat die rijker is, maakt me woest.”
Binnen de punkscene krijgt die boosheid ruimte én richting. Voor Skylar zit dat in muziek en moshpits, maar vooral in organisatie. “Community bouwen is nodig voor elke vorm van verandering.” Alle drie zijn ze het eens over dat activisme uit enorm veel verschillende vormen bestaat: demonstraties, benefieten, gesprekken, optredens, sociale media berichten, zorgen voor elkaar…
Volgens Wattel zoeken jongeren die zich niet vertegenwoordigd voelen door politiek en media naar alternatieve plekken waar hun stem wel telt. Punk functioneert hier als tegenruimte: een plek waar boosheid niet wordt weggewuifd, maar erkend.
Boosheid in tijden van stilstand
Die boosheid staat niet los van de tijd waarin de jongeren van nu opgroeien. Jongeren groeien op met crises die zich opstapelen: klimaatverandering, woningnood, oorlog en economische onzekerheid. Tegelijkertijd wordt van hen verwacht dat ze flexibel zijn, zich aanpassen en vooral ‘realistisch’ blijven.
Filosoof Mark Fisher beschreef dit gevoel als capitalist realism: het idee dat er geen alternatief meer lijkt te bestaan voor het huidige systeem (Fisher, 2009). Juist dat gevoel voedt de aantrekkingskracht van punk. “Punk biedt geen oplossingen voor jongeren, maar het weigert wel te doen alsof alles oké is”, zegt Marieke Wattel.
Van emotie naar infrastructuur
Wat de hedendaagse punkscene onderscheidt van een louter emotionele uitlaatklep, is dat boosheid wordt omgezet in infrastructuur. Jongeren organiseren shows, bouwen netwerken, creëren veilige ruimtes en zetten alternatieve systemen op, vaak buiten commerciële circuits om. Een cultuur sterft niet wanneer zij verandert van vorm; zij sterft wanneer er geen infrastructuur meer is. Zoals Flip en Mia het verwoorden: “als mensen zoals wij stoppen, valt de community uit elkaar, dan blijft er niks over.”
Lees hier het portretartikel over Jason van Empelen, een andere onmisbare actieve jonge punker: https://ap.lc/xJTeC
Zorg als nieuw verzet
Opvallend is dat boosheid binnen de huidige punkscene steeds vaker samengaat met zorg. Waar punk vroeger vooral werd geassocieerd met destructie, combineren veel jonge punkers verzet nu met aandacht voor mentale gezondheid, consent en inclusiviteit. Dat is geen verzwakking, maar een verschuiving. Volgens het Sociaal en Cultureel Planbureau herkennen jongeren zich minder in traditionele politieke structuren, maar zijn zij wel degelijk maatschappelijk betrokken, alleen via andere vormen, zoals cultuur en informele netwerken (SCP, 2022). Punk functioneert hier als schakel en verbinder tussen emotie en gemeenschap.
Punk leeft bij gratie van jongeren
Het idee dat punk dood zou zijn, houdt geen stand wanneer je kijkt naar wie de scene vandaag draaiende houdt. Nieuwe generaties stromen toe: jonger, diverser en actiever. Zoals Flip stelt: “Punk zou pas dood zijn als er geen nieuwe mensen meer bijkomen.” Die mensen zijn er. Ze organiseren, spelen, zorgen voor elkaar en spreken zich uit. Niet altijd netjes, niet altijd eensgezind, maar wel betrokken. Punk is daarmee geen nostalgisch overblijfsel, maar een levende praktijk.
Of, zoals Ruben het zegt: “het is echt springlevend. Juist omdat jongeren het blijven oppakken.”
Conclusie
Punk is niet dood: het is veranderd, verschoven en aangepast aan een nieuwe tijd. De boosheid van jongeren is daarbij geen teken van verval, maar juist de motor achter het voortbestaan van de scene. Door muziek, activisme en gemeenschap houden zij punk niet alleen in leven, ze geven haar nieuwe betekenis.
Punk is geen afgesloten hoofdstuk uit de cultuurgeschiedenis, maar een voortdurend proces. Gedragen door boze jongeren die weigeren stil te zijn.