Jason van Empelen zit veel liever met een gitaar in zijn handen dan met woorden in zijn mond. Als hij zichzelf voorstelt, blijft het kort. “Ik speel in een aantal punkbands”, zegt hij. Dan is hij stil, alsof dat genoeg is. En misschien is dat ook genoeg, als je weet hoeveel er achter die ene zin schuilgaat. Juist in die houding zit waarom Jason een verborgen parel is. Wat Jason er namelijk niet bij zegt, is hoeveel hij bij elkaar houdt. Hij is een van die mensen zonder wie de punkscene in Haarlem stiller, kleiner en leger zou zijn. Niet omdat hij vooroploopt, maar omdat hij overal meedoet. Hij speelt, werkt, helpt, staat naast het podium én erop. Voor veel mensen is hij iemand die laat zien dat punk ook iets is wat je dóét.
Jason is twintig, woont in Haarlem en speelt in vijf bands: drie ‘echte’ punkbands, een ska-punkband en een garagepunkproject. Daarnaast werkt hij als geluidstechnicus bij muziekfabriek Slachthuis Haarlem. Hij is bijna elke avond met muziek bezig: repeteren, optreden, mixend of gewoon aanwezig. Door dat alles inspireert hij anderen: door te laten zien hoe je een scene levend houdt.
Punk veranderde hem niet, maar gaf hem ruimte
Als hij nadenkt over wie hij was vóór punk, komt er geen dramatisch verhaal. “Ik denk niet dat ik heel anders was,” zegt hij, “maar ik voel me wel beter nu.” Punk gaf hem meer dan muziek; het gaf hem mensen, plekken en structuur. “Ik heb meer vrienden, meer te doen en misschien ben ik ook wel iets opener geworden, iets zelfverzekerder.”
Jason zegt: “je speelt in je eerste bandje, je gaat naar shows, je ontmoet mensen, die leren je weer nieuwe dingen. Nieuwe waardes. Dingen waarvan je denkt: oké, dit vind ik belangrijk.” De verandering kwam niet door één moment, maar door langzaam ergens in te groeien.
Zijn tweelingbroer Daniël herkent dat beeld. “Jason was als kind en tiener al best chaotisch,” zegt hij, “niet heel erg met school bezig, vooral met vrienden. Altijd veel vrienden. En altijd wel een beetje met muziek bezig.” Volgens Daniël begon het rond zijn veertiende of vijftiende. “We vonden oude platen van onze vader op zolder. Daar raakte Jason door geïnspireerd: hij kocht een gitaar en leerde zichzelf in hele korte tijd spelen.”
Foto: Sasha Piek
Boosheid die niet altijd schreeuwt
Boosheid speelt een grote rol in Jasons muziek, maar het is niet iets wat hij constant uit. “Je draagt dat gewoon met je mee, je kan dat niet overal eruit gooien.” Op het podium wel, daar krijgt het een plek. “Daar zie je het denk ik wel,” zegt hij, “daar kan het.”
Waar hij boos over is, hoeft hij niet lang te overdenken. “Woningnood. Ik wil gewoon een huis en dat kan niet.” En dan: “En politiek en natuurlijk Palestina! Dat gaat ook nog steeds enorm de verkeerde kant op.” Die boosheid hoor je terug in de teksten van zijn bands. “Bij één band zingen we in het Nederlands, die nummers gaan eigenlijk altijd over politiek. Over dingen die niet kloppen.” Voor Jason zijn teksten belangrijker dan geluid alleen. “Je kan wel hard spelen, maar gevoel en boosheid kan je beter kwijt in woorden.”
Meerdere bands, meerdere kanten
Jason zit in zoveel bands omdat hij het leuk vindt om verschillende kanten van zichzelf te laten zien. “Ik doe overal iets anders,” zegt hij. Bij de ska-punkband is hij frontman en vocalist. “Dan sta ik vooraan en is het meer: kijk mij, kijk wat ik doe.” Bij zijn punkbands staat hij liever iets naar de zijkant: “Dan kan ik gewoon hard spelen.” Elke band vraagt iets anders van hem. “In punk ben ik boos,” vertelt Jason, “bij ska is het meer lollig, samen een feestje. En bij andere projecten gaat het meer om het muziek maken zelf.” Het zijn geen rollen die hij speelt, maar stemmingen die hij toelaat. “Elke band is een andere kant van mij.”
Bandgenoot Melle, drummer van hardcore-punkband Inside Job, ziet Jason vooral als iemand die het gewoon blijft doen. “Jason is niet iemand die alles naar zich toetrekt, hij doet het gewoon. Hij heeft heel veel riffjes geschreven, echt veel. Hij doet het gewoon.” Volgens Melle zit het verschil niet in hoe luid Jason is, maar in hoeveel hij speelt. “Dat hij in zoveel verschillende bands zit en met allemaal optreedt en dat ook volhoudt, vind ik echt indrukwekkend. Ik ben daar soms wel jaloers op.”
Het Slachthuis als huiskamer
Het Slachthuis in Haarlem is een vaste plek in Jasons leven. Hij werkt er als geluidstechnicus en mixt regelmatig punkbands. “Het is echt mijn favoriete plek”, zegt hij. Hij omschrijft het als meer dan een podium. “Je kan er repeteren, shows kijken, vrienden ontmoeten, bands beginnen. Het is een café, een cultuurplek.”
Voor hem voelt het als thuis. “Het is meer mijn huiskamer dan mijn echte huiskamer.” Ook op momenten dat het minder goed gaat, is hij daar. “Mijn vrienden zijn er altijd, dat helpt.” Als Het Slachthuis zou verdwijnen, weet hij niet wat hij zou doen. “Ik zou echt niet weten wat ik met mijn dag moest.” Wat hij het meest zou missen? “De mensen. Die community, dat heb ik nergens anders gezien.”
Volgens collega Luc is Jason ook iemand die die community actief draagt. “Hij brengt altijd positieve energie mee,” zegt hij. “Altijd vrolijk, altijd in voor een geintje. Zelfs als hij zijn dag niet heeft.”
Die houding werkt door op de vloer. “Hij loopt met iedereen goed,” vertelt Luc, “bands, collega’s, vast publiek. Hij staat buiten met iedereen een peukje te doen. Hij is gewoon onderdeel van de plek. Hij is ook super collegiaal. Ondanks dat hij geluidstechnicus is, en dat kan hij echt goed, managet hij vaak ook gewoon het halve event. Dat is niet zijn taak, maar hij doet het gewoon.” Luc noemt dat “f*cking respectabel”. “De meeste geluidstechnici laten dat over aan anderen, Jason niet.”
Welkom, maar niet blind
Jason voelt zich over het algemeen welkom in de punkscene. “Ja”, zegt hij. Dan, iets zachter: “Meestal.” Er zijn altijd mensen die iets vinden. Over zijn lange haar bijvoorbeeld. “Dan ben ik ineens niet punk genoeg en lijk ik op een hippie.”
Hij haalt zijn schouders op. “Dat hoort er wel bij, ik trek me er niet echt iets van aan.”
“Jason is wel altijd uitgesproken geweest”, zegt zijn tweelingbroer Daniël. “Van zijn elfde tot zijn vijftiende had hij al een hanenkam. Niet eens echt punk, meer zo’n jaren-2000-variant. Hij deed nooit echt mee met wat anderen cool vonden.”
Toch zijn er dingen waar Jason zich aan ergert. “Punkers die kraker – wat goed is! – maar dan de hele dag drugs gebruiken…”, zegt hij. “Dat botst met hoe ik erin sta.” Niet omdat het ‘niet binnen de punkregels valt’, maar omdat het hem persoonlijk tegenstaat.
Muziek als rustpunt
Muziek is voor Jason niet alleen een uitlaatklep, maar ook een manier om rust te vinden.
“Ik ben heel druk,” zegt hij. “Muziek maakt me rustig.” Thuis speelt hij liever geen punk. “Dat is een eenzaam genre in je eentje, dat moet je samen doen.” Alleen, speelt hij akoestisch. Graag banjo, piano, gitaar en orgel. “Als ik blij en enthousiast ben, speel ik graag ska of nummers waar ik leuke herinneringen aan heb. Als ik verdrietig ben speel ik eerder een rustig folk nummer.”
Zonder muziek zou zijn leven leeg aanvoelen. “Mijn leven zou saai en grijs zijn: zonder instrumenten en bands zou ik nog steeds muziek proberen te maken, maar alles zou zo anders zijn. Mijn leven draait om muziek.”
“Die gast is gewoon overal,” zegt collega Luc, “bijna elke show in Haarlem is hij er en anders wel in een andere stad. Hij steekt zijn leven in muziek en in de scene, dat is zó belangrijk. We hebben meer van dat soort mensen nodig.”
Twintig zijn in deze tijd
Twintig zijn noemt Jason “niet leuk”. “Je kan geen huis vinden. Alles is duur. Overal oorlog.”
Of jongeren gehoord worden? “Nee,” zegt hij, “er zitten vooral oude mensen in de politiek.”
Hij gaat soms naar demonstraties, maar niet altijd. “Ik werk veel, speel in vijf bands. Ik probeer mijn boodschap ook via muziek te brengen.”
Sommige mensen vinden dat niet genoeg. “Dat is zonde,” vindt hij, “dan rekenen we elkaar af, terwijl we eigenlijk hetzelfde willen.”
‘Doe waar je zin in hebt’
Wat punk voor hem betekent, vindt hij lastig samen te vatten. “Ik vind zulke vragen altijd moeilijk,” zegt hij, maar uiteindelijk: “doe waar je zin in hebt.” Jason lacht. “Maar soms moet je ook dingen doen waar je geen zin in hebt.” Zonder punk zou zijn leven er totaal anders uitzien. “Mijn week zou leeg zijn,” zegt hij, “alles zou anders voelen. Ik zou me minder gauw ergens thuis voelen en juist verdwaald voelen.”
Waar Daniël zijn broer een “echte levensgenieter” noemt, ziet Luc vooral iemand die draagt. “Hij steekt zijn leven erin,” zegt hij. “En dat is precies hoe een scene blijft bestaan.”
