Zijn moeder huilt wanneer Taj het vertelt. Het is een warme avond in Damascus in juli 2015. Buiten lijken de inwoners van de hoofdstad van Syrië een ‘gewoon’ leven te leiden, maar binnen is het doodstil. Over vier maanden wordt Taj achttien en daarom moet hij wel de beslissing maken. Hij kijkt zijn moeder aan en vertelt dat hij weg wil. Vluchten. Niet omdat hij Syrië haat, maar juist omdat hij van de mensen houdt. Hij kan niet vechten tegen zijn eigen volk. Zijn moeder snapt zijn keuze, maar huilt de hele avond. Het is een van de laatste gesprekken die Taj in levende lijven met zijn moeder heeft.
Tot 2011 leeft Taj vredig in Zamalka, een voorstad van de hoofdstad. Hij woont samen met zijn broertje, moeder en vader. Zijn oma, opa en tante wonen boven hen, omdat opa het hele huis bezat. Elke donderdagavond komt de hele familie samen om te eten. In de wijk staan de deuren voor elkaar open. Iedereen kijkt naar elkaar om en een buurman wordt al snel ‘oom’ genoemd.
Op vrijdag zijn er vaak protesten tegen het regime van Assad. Vanuit de moskee gaan mensen de straat op om kort te protesteren tegen de dictator. Taj mag van zijn moeder niet meelopen in het protest, omdat het gevaarlijk is. Protestanten, zoals zijn neef, worden opgepakt en worden vastgezet. Toch doet hij het op een vrijdag. Samen met zijn beste vriend Matīyās volgt hij iemand met een harde stem die wat leuzen uitschreeuwt over Assad. De groep demonstranten herhaalt de protestleider:
‘Wij moeten jou niet, zoals we je vader al niet moesten!’
‘Wij moeten jou niet, zoals we je vader al niet moesten!’
‘Opkankeren met je vader!’
‘Opkankeren met je vader!’
‘Weg met Assad!’
‘Weg met Assad!’
Aan sommige protestanten valt te ontdekken dat ze dit vaker doen. Ze kijken strijdlustig en wapperen met de groen-wit-zwarte vlag met drie rode sterren. Deze vlag wordt later het symbool van het nieuwe Syrië. Voor Taj en zijn vriend is dit nieuw. Ze kijken angstig om zich heen en ogen zenuwachtig. Taj en Matīyās komen veilig thuis, van zijn neef kwam in 2020 alleen nog zijn paspoort thuis.
Zamalka wordt in vergelijking met Damascus gevaarlijker. Zo komen de raketten steeds dichterbij en zijn ze ook goed te horen vanuit het appartement van de familie.
Te horen zijn geluiden als: Pfieuw.
En dan: Baf.
Soms volgt de ‘Baf’ zo snel na de ‘Pfieuw’, dat duidelijk is dat de aanslag dichtbij is. Het regime van Assad koos voor het bombarderen van de landelijke gebieden rondom de hoofdstad, omdat daar de meeste tegenstanders van zijn beleid zitten.
Matīyās
Zo ook op een normale doordeweekse dag wanneer Taj buiten voetbalt met Matīyās en wat andere vrienden. Ze doen dit vaker op een pleintje vlakbij in de buurt. Vaak komt Taj zijn moeder rond vier uur thuis van het werken in het ziekenhuis, waarna hij binnen ging eten. Meestal blijft Matīyās dan buiten met de rest van zijn vrienden, zo ook deze dag. Taj zegt hem: ‘Ik zie je straks’, omdat hij vaak daarna nog even naar buiten kwam.
Deze dag gaat Taj om een andere reden naar buiten. Zo’n tien minuten na het moment dat hij naar binnengaat hoort hij zo’n klap die bekend staat als een raketinslag. Hij heeft vrijwel direct door dat dit foute boel is, omdat de inslag vrij dichtbij klinkt. Hij wil naar buiten om te kijken of zijn vriend Matīyās oké is, maar dat mag niet van zijn moeder omdat het waarschijnlijk te onveilig zal zijn. Taj hoort van zijn buren dat Matīyās is geraakt bij de raketinslag.
Voor het eerst wordt de oorlog tastbaar voor Taj. Daar ziet hij kort zijn beste vriend liggen. Dat beeld raakt hem nog altijd. De oorlog was voorheen verder weg; het waren mensen die hij vaag kende of die hij op televisie zag. Nu was het zijn beste vriend die hij kende vanaf de middelbare school. Matīyās was een grappige jongen. Hij kon goed voetballen, was heel zorgzaam en een beetje sarcastisch op een nette manier, zoals Taj dat ook kan zijn. Hij nam het leven niet te serieus.
De vlucht
De raketinslagen in Zamalka komen steeds vaker voor, waardoor het gezin van Taj besluit om naar de binnenstad van Damascus te verhuizen. In een autootje gevuld met wat kleren en een televisie rijden ze naar het huurappartement in de straat waar Taj later zijn eigen telefoonwinkel zal openen. De familie verwacht nog wel eens terug te gaan naar Zamalka, mede omdat opa, oma en tante er blijven wonen.
In Damascus heeft het gezin een klein appartement. Het is hier rustiger, omdat er meer aanhangers van het regime van Assad wonen. Veel ondernemers of rijkere mensen durven zich minder hard uit te laten over Assad, omdat ze bang zijn. De inwoners van meer rurale gebieden zijn dat minder. Taj opent al snel een eigen telefoonwinkel, midden in de straat waar ongeveer dertig tot veertig elektronicawinkels zitten. Rond zijn zeventiende loopt de zaak goed. Hij verdient goed en kan wat sparen voor de toekomst. Wat zijn moeder dan nog niet weet is dat hij het geld spaart voor een vliegticket naar Turkije. Vanaf hier zal hij de oversteek maken met de boot naar Griekenland om vervolgens na een aantal landen in Duitsland te belanden en later in Utrecht te vestigen.
Vanaf hun achttiende levensjaar moeten mannen in Syrië dienen in het leger van Assad. Dit wil Taj niet, omdat hij niet wil vechten tegen zijn eigen mensen. Hij kent jongens van rond zijn leeftijd die dit wel doen. Die staan dan soms lijnrecht tegenover vrienden of familie, zoals op de vrijdagse protesten na een moskeebezoek. Taj wil dit niet doen en dan is er eigenlijk maar een optie over: vluchten.
In juli 2015 vertelt hij het aan zijn moeder, die hem wel begrijpt. Zij snapt dat vechten tegen je eigen mensen niet een keuze is die je graag maakt. Twee weken lang maakt Taj een rondje om afscheid te nemen van de mensen die hij liefheeft, waarna hij uiteindelijk de oversteek maakt naar Turkije.
Moeder
In de zomer van 2020 krijgt Anne als huisgenoot van Taj het verschrikkelijke nieuws te horen. Taj woonde al voor haar op het studentencomplex IBB in Utrecht en de twee doen veel samen. Taj is op vakantie dus ze hadden niet zoveel contact met elkaar. Een huisgenoot die toevallig met Taj appte hoe het was op vakantie kreeg te horen wat Taj eerder hoorde via zijn tante.
Taj is voor het eerst weer op vakantie na zijn vlucht vanuit Syrië. Hij is in Griekenland, het land waar hij kwam met de boot vanaf Turkije in 2015. Deze keer is hij met het vliegtuig. Het zou een fijne vakantie moeten worden met vrienden die hij ontmoet heeft in Nederland, maar na het telefoontje van zijn tante verandert het in een verdrietige reis.
De moeder van Taj is overleden aan een spierziekte vertelt zijn tante aan de telefoon. Zijn oudere broer hangt op dat moment ook aan de telefoon. Taj weet niet wat hij hoort en hij schrikt verschrikkelijk van dit nieuws. Hij wist wel dat zijn moeder een spierziekte had, maar zij wilde de familie er niet echt bang mee maken.
Hij kan niet naar de uitvaart, omdat hij opgepakt zal worden zodra hij naar Syrië zou vliegen. Hij zou dan moeten dienen in het leger van Assad en dat was geen optie voor hem. Hij vliegt dus terug naar Nederland en woont de uitvaart van zijn moeder bij via FaceTime.
Anne zorgt voor hem als huisgenoot. Ze merkt dat Taj verdrietig is aan het feit dat hij zich erg terugtrekt. Zijn hele huis probeert hem zoveel mogelijk bij alles te betrekken door voor hem te koken of hem expliciet uit te nodigen bij feesten of kleine borrels. Dit heeft Taj erbovenop geholpen. Hij heeft ontzettend veel aan zijn huisgenoten gehad.
