Jan Meurs (72) is fotograaf, docent en drijvende kracht achter Stichting Het Fotocafé in Alkmaar. Al meer dan veertig jaar combineert hij zijn liefde voor fotografie met het begeleiden van anderen. Hij leert niet alleen de techniek, maar vooral hoe fotografen een verhaal vertellen met beelden. Dankzij zijn inzet groeide Het Fotocafé uit tot een ontmoetingsplek voor ongeveer 35 mensen. Ook geeft hij les aan jongeren en mensen met een rugzakje en zet hij zich in voor culturele projecten in de regio. Omdat zijn werk vooral bestaat uit het inspireren en ondersteunen van anderen, is Jan Meurs een verborgen kunstheld binnen de Noord-Hollandse kunst- en fotografiewereld.
In cultuurcentrum Artiance in Alkmaar is het druk. Jongeren lopen af en aan met gitaren, violen en andere muziekinstrumenten onder hun arm. Artiance zit midden in het centrum van Alkmaar, het zit op loopafstand van de Grote Kerk. Aan een tafeltje in het cultuurcentrum zit Jan Meurs rustig over zijn leven en passie te praten. Hij kijkt ontspannen om zich heen terwijl de bedrijvigheid doorgaat. Voor hem is het een vertrouwde omgeving. Kunst, creativiteit en mensen samenbrengen vormen al tientallen jaren de rode draad in zijn leven.
Toch draait het voor fotograaf Jan Meurs nooit in de eerste plaats om kunst of techniek, het draait vooral om verhalen: “Een foto is pas een foto als het een verhaal is”, vertelt hij met een lach tijdens het gesprek.
Die overtuiging komt steeds terug wanneer hij vertelt over zijn werk als fotograaf, docent én initiatiefnemer van het Fotocafé in Alkmaar. Waar veel mensen, en vooral tegenwoordig, fotografie wordt gezien als het maken van mooie beelden, ziet Meurs het als een middel om mensen nog beter te begrijpen. Achter iedere foto moet volgens hem iets schuilgaan: een herinnering, emotie, vraag of een boodschap.

In Alkmaar is Het Fotocafé en cultuurcentrum Artiance. (Foto: Jet Kramer)
De weg naar fotografie
Jan Meurs werd op 23 september 1953 geboren in Opperdoes, een dorp vlakbij Medemblik en aan de Westfriese Omringdijk. Deze dijk speelt nog altijd een belangrijke rol in zijn leven. Niet alleen omdat hij er opgroeide, maar ook omdat het landschap onderdeel werd van een groot fotografieproject waar hij jarenlang van droomde.
Zijn belangstelling voor fotografie als kunst ontstond al op jonge leeftijd. Op zijn zestiende ging hij mee naar een vriend die thuis een doka (donkere kamer) had. Daar zag hij hoe analoge foto’s werden ontwikkeld. Het proces maakte veel indruk op hem. Niet lang daarna kocht hij zijn eerste camera: een Russische Zenit-E.
Toch koos hij niet voor een artistieke opleiding; Meurs ging weg- en waterbouw studeren. De technische wereld trok hem op dat moment meer aan. Toch blijkt de keuze juist te zijn, omdat de technische en creatieve combinatie belangrijk waren voor zijn ontwikkeling.
Rond zijn vierentwintigste kreeg hij gezondheidsproblemen waardoor hij minder actief bezig kon zijn. Hij haalde, zoals hij dat zelf zegt, zijn camera uit het stof en begon intensiever te fotograferen. Het groeide uit tot zijn grootste passie. Zodra Meurs over fotografie begint, praat hij met een lach en zie je een kleine twinkeling in zijn ogen.
De technische opleiding blijft bij fotografie een voordeel. Hij werkte onder meer voor woningcorporaties en verschillende opdrachtgevers, terwijl hij ook zijn creatieve kant verder ontwikkelde.
Meer dan een fotograaf
Wie met Meurs praat, merkt al snel dat hij meer is dan alleen fotograaf. Gedurende zijn leven heeft hij tal van rollen vervuld. Over al die mooie dingen praat hij ook graag. Hij gaf fotografielessen, begeleidde jongeren, werkte in de (jongeren)hulpverlening, was reisbegeleider en zet zich nog steeds in voor mensen die ondersteuning nodig hebben.
Bij Ariance kwam hij ooit terecht als vervanger van een fotografiedocent die langdurig afwezig zou zijn. Wat begon als tijdelijk werk, groeide uit tot jarenlang lesgeven. Tijdens deze lessen viel hem iets op. Deelnemers volgden een cursus, leerden de techniek en gingen daarna weer naar huis. Voor veel mensen hield de ontwikkeling daar op. “Dan was de cursus voorbij. Maar wat moesten ze daarna doen?”, vraagt hij aan mij.
Zelf wist ik het antwoord niet, maar hij kon hem gelukkig bijna 20 jaar geleden beantwoorden: Het Fotocafé werd gestart. Het idee kwam doordat sommige cursisten opnieuw zichzelf inschreven voor de cursus, simpelweg omdat ze geen plek hadden waar ze verder konden groeien.
In 2008 richtte Meurs samen met twee anderen Het Fotocafé op. Het idee was eenvoudig maar krachtig: geen klaslokaal, maar een ontmoetingsplek voor fotografen. Het begon met acht deelnemers, maar ondertussen is het uitgegroeid tot een stichting met ongeveer 35 actieve fotografen.
Maandelijks komen verschillende groepen bijeen in De Stadsfabriek in Alkmaar. Daar bespreken ze elkaars werk, krijgen ze opdrachten gastlessen. Ook ontwikkelen ze gezamenlijke projecten. Volgens Meurs gaat het daarbij niet om de beste foto, maar om de inspiratie.
Fotografie is vaak een individuele bezigheid, ze gaan alleen op pad en werken zelfstandig. Binnen Het Fotocafé wordt die eenzaamheid doorbroken. Mensen leren van elkaar, bespreken ideeën en worden uitgedaagd om verder te kijken dan techniek. Dit gebeurt bijvoorbeeld door thematische opdrachten.
Het project waar de leden nu mee bezig zijn heeft de titel ‘Te dierbaar om afscheid van te nemen’. De opdracht vraagt deelnemers een voorwerp te fotograferen waaraan een bijzondere herinnering verbonden aan is. Ook moeten ze een persoon erbij fotograferen en diegene vragen stellen. De tekst en de foto komen in een houten lijst in De Stadsfabriek te hangen, de maker kan dan zelf kiezen of zij de tekst of de foto voorop willen hebben staan. De kijker kan deze ook omdraaien.
Met ‘Te dierbaar om afscheid van te nemen’ maken ze daardoor niet alleen beeld, maar zit er een persoonlijk verhaal aan vast. Zelf heeft Meurs al een goed beeld wat hij als foto zou kiezen. Dit zou een foto zijn met het gouden zakhorloge van zijn vader. Het voorwerp heeft niet alleen materiële waarde, maar vertegenwoordigt ook herinneringen aan een dierbaar persoon. Andere deelnemers kozen voor een oude accordeon die is doorgegeven en een ander koos een knuffel die zij sinds haar geboorte al heeft. Dit is een voorbeeld waar Jan Meurs met Het Fotocafé voor staat: fotografie gebruiken om verhalen zichtbaar te maken.

Portret van Jan Meurs zijn vader. (Foto: Jet Kramer)
De grootste vijand van fotografie
Een thema wat regelmatig terugkomt in het gesprek is snelheid. Volgens Meurs leven we in een tijd waarin fotografie vluchtiger is geworden dan ooit. Vrijwel iedereen heeft een camera op zak, hun telefoon. Met één druk op de knop en heel snel kunnen honderden tot wel duizenden foto’s gemaakt worden. Toch legt Meurs uit dat meer foto’s niet altijd en automatisch betere foto’s betekent. “De grootste vijand van fotografie is haast.”
Om die reden stimuleert hij deelnemers om juist langzamer te werken. Zo ook bij de opdracht ‘Te dierbaar om afscheid van te nemen”, hier moeten de fotografen een statief gebruiken. Niet omdat het technisch noodzakelijk is, maar omdat het hen dwingt om stil te staan, te kijken, na te denken en bewust te kiezen voor de juiste foto.
Bert Peerboom, fotograaf en lid van Het Fotocafé, bevestigt de visie van Jan Meurs. Hij noemt zichzelf en Meurs lachend “oude rotten in het vak”, maar benadrukt dat het café juist ook jongere mensen trekt.
Peerboom vertelt dat hij enkele jaren geleden vastliep in zijn fotografie, hij maakte prima foto’s maar voelde dat er iets ontbrak. Binnen Het Fotocafé veranderde dat. Één vraag van Meurs, die telkens werd herhaald, zorgde ervoor dat Peerboom anders naar fotografie ging kijken: “Wat wil JIJ vertellen?” Door deze vraag stond niet langer techniek centraal, maar inhoud. Hij noemt Meurs gedreven, creatief en sociaal. Iemand die mensen uitdaagt om nieuwe dingen te ontdekken. “Het Fotocafé is eigenlijk een verlengstuk van Jan.”
Volgens Peerboom heeft Meurs een bijzondere gave om mensen enthousiast te maken en tegelijkertijd ruimte te geven om hun eigen weg te vinden.

Bert Peerboom is in de donkere kamer foto’s aan het ontwikkelen. (Foto: Jet Kramer)
Tweede en derde laag
Voor Meurs wordt een foto pas interessant wanneer, zoals al gezegd, meer zichtbaar is dan alleen het onderwerp. Hij spreekt over een tweede en derde laag in fotografie. Een portret moet bijvoorbeeld meer zijn dan alleen een gezicht, het moet iets vertellen over karakter, geschiedenis of situatie. Tijdens het gesprek vertelt hij een anekdote over fotograaf Frits de Beer. Die kreeg slechts enkele minuten om iemand te portretteren, diegene kwam zelfverzekerd en bijna arrogant over. Door hem te vragen zijn schoenen uit te doen veranderde de sfeer volledig. Ineens ontstond een ander beeld. Niet langer een belangrijke man, maar een jongen.
Dat soort veranderingen vindt Meurs interessant. Fotografie draait volgens hem om het ontdekken van de mens in de foto.
Analoge fotografie
Na het gesprek lopen we naar een ander gebouw, vlakbij Artiance. Daar bevinden zich ateliers, lesruimtes en een doka (donkere kamer). In het gebouw zijn studenten aan het werk aan hun kunstobject. Samen met Bert gaan we de donkere kamer binnen.
Tussen de ontwikkelbakken, negatieven en afdrukken vertelt Meurs over de nieuwe belangstelling voor analoge fotografie. Hij vertelt dat jaren geleden de donkere kamer dreigde te verdwijnen. Hij verzette zich daar vol tegen. Inmiddels blijkt die keuze juist te zijn. Steeds meer jongeren ontdekken het plezier van analoog werken, het wordt al meer in.
Juist omdat zoveel processen tegenwoordig automatisch verlopen, ontstaat behoefte aan vertraging. Analogie fotografie dwingt fotografen om bewuster te werken. Iedere opname kost tijd en aandacht.

De donkere kamer met de spoelbak en de baden. (Foto: Jet Kramer)
Meurs bouwde zelf een houten camera waarmee hij laat zien hoe vroeger foto’s werden gemaakt. Dit laat hij zien bij de exposities van de het Westfriese Omringdijk-project. Deze exposities zijn allemaal in dorpjes langs de dijk. Volgens Meurs sluit de ontwikkeling van analoge fotografie aan bij een bredere maatschappelijke trend. Mensen zoeken opnieuw naar rust, aandacht en het gevoel van hoe het vroeger was.
De visie van Meurs sluit goed aan bij Eduard de Kam beschrijft in Focus op fotografie: Analoge fotografie. In het boek legt De Kam uit dat analoge fotografie fotografen dwingt bewuster te werken. Iedere foto kost tijd en de beelden kunnen niet direct gecontroleerd worden.
De Kam zegt: “De charme van het werken met oude camera’s, film, chemie en een donkere kamer waar de spanning van het wachten op het resultaat deel van uit maakt is duidelijk weer in populariteit gestegen (Fotografie.nl redactie, 2025).”
Zoals Meurs eerder opnoemde is het grootste risico haast en snelheid bij fotografie. Analoge fotografie vertraagt het proces.

Een foto wordt ontwikkeld door Jan Meurs. (Foto: Jet Kramer)
Terug in de doka heb ik nog een belangrijke vraag aan Jan Meurs: wat maakt Jan Meurs, Jan Meurs? Zelf kan ik na deze paar uur met de fotograaf te hebben gespendeerd hem wel al een beetje beantwoorden. Toch reageert Meurs opvallend bescheiden. Hij noemt zichzelf flexibel in ideeën. Toch geeft hij een samenvattende uitspraak: “Delen maakt groter.” Dit omvat zijn hele levenshouding. In zijn werk als fotograaf, docent, mentor en initiatiefnemer staat kennisoverdracht centraal. Niet het eigen succes, maar het helpen van anderen om hun stem en stijl te vinden.
Aan het einde van de middag wordt duidelijk waarom zoveel mensen hem waarderen. Niet alleen vanwege zijn fotografische kennis, maar vooral vanwege zijn vermogen om mensen anders te laten kijken.
Terwijl Meurs in de donkere kamer uitlegt hoe een beeld langzaam verschijnt op een vel fotopapier, lijkt dezelfde gedachte door zijn hele fotografenleven te lopen. Het draait bij hem in fotografie niet om de camera, om de techniek of om de perfecte compositie. Het draait om aandacht voor een persoon, een herinnering of een verhaal dat anders misschien niet verteld zou zijn.
De volgende mensen, jongeren van Artiance, willen de donkere kamer weer in. Meurs praat met hun, met veel passie, over kunst en fotograferen. Na vijftig jaar ervaring probeert hij nog steeds hetzelfde te doen: mensen laten en leren kijken. Niet naar wat er op de foto staat, maar wat erachter schuilgaat.

Jan Meurs in de donkere kamer aan de slag met foto’s. (Foto: Jet Kramer)
