Oordeel: niet goed onderbouwd
De bewering
Jesse Klaver stelt dat het kabinet miljarden bezuinigt op gewone mensen, terwijl de allerrijksten er juist miljarden bij krijgen. Maar klopt dat als je de plannen voor 2027 erbij pakt?
Wat bedoelt Klaver met ‘gewone mensen’ en de ‘allerrijksten’?
‘Gewone mensen’ en ‘de allerrijksten’ zijn geen officiële groepen. Daarom moet de uitspraak eerst wat concreter worden gemaakt. In deze factcheck bedoel ik met ‘gewone mensen’ huishoudens met een laag tot middeninkomen. Met ‘de allerrijksten’ bedoel ik mensen met de hoogste inkomens en veel vermogen.
Dat is nodig om de uitspraak met de cijfers uit de Miljoenennota te kunnen vergelijken.
Welke bezuinigingen staan er in de plannen?
Er stonden eerder grote bezuinigingen op de sociale zekerheid gepland. Een van die maatregelen was het aanpassen van de AOW aan de stijgende levensverwachting. Daarmee zou uiteindelijk meer dan 2,7 miljard euro per jaar worden bespaard. Die bezuiniging gaat niet door. Ook andere maatregelen zijn aangepast. Zo wordt de verkorting van de maximale WW-duur uitgesteld tot 2029. De geplande verlaging van het maximale dagloon voor uitkeringen gaat ook niet door. Dat staat in de plannen van de Rijksoverheid voor Prinsjesdag 2026. Ook de NOS zet de belangrijkste plannen voor 2027 op een rij. Daaruit blijkt dat een groot deel van de eerder geplande bezuinigingen op de sociale zekerheid is geschrapt of uitgesteld.
Dat betekent niet dat huishoudens helemaal niets extra gaan betalen. Het verplichte eigen risico in de zorg stijgt in 2027 naar 400 euro. De eerder geplande extra verhoging van 60 euro wordt wel uitgesteld. Daarnaast verwacht het kabinet dat de gemiddelde zorgpremie stijgt. Dit wordt ook beschreven door de NOS en in de Prinsjesdagplannen van de Rijksoverheid.
Wat merken verschillende inkomensgroepen?
De koopkrachtcijfers geven een beter beeld van wat de plannen gemiddeld betekenen voor verschillende groepen. Volgens de Rijksoverheid gaat de koopkracht van huishoudens met een laag inkomen in 2027 gemiddeld met 0,2 procent omhoog. Voor middeninkomens gaat het om een gemiddelde daling van 0,1 procent. Hogere inkomens gaan er gemiddeld 0,2 procent op achteruit. Voor alle huishoudens samen komt de gemiddelde koopkracht uit op een daling van 0,1 procent.
Deze cijfers zijn gemiddelden. Ze betekenen dus niet dat ieder huishouden met een laag inkomen er precies 0,2 procent op vooruitgaat. De gevolgen kunnen per huishouden verschillen.
De NOS schrijft daarnaast dat de hogere inkomens gemiddeld meer belasting gaan betalen. Tegelijkertijd zijn er maatregelen genomen om de koopkracht te ondersteunen, zoals een verhoging van de arbeidskorting en aanpassingen van de belastingtarieven.
Maar hoe zit het met de allerrijksten?
Hier wordt de uitspraak van Klaver ingewikkelder. De groep ‘hogere inkomens’ uit de koopkrachtcijfers is namelijk niet hetzelfde als ‘de allerrijksten’. Uit het cijfer van -0,2 procent voor hogere inkomens kun je daarom niet zomaar afleiden wat de rijkste Nederlanders met hun inkomen en vermogen gaan merken.
Om dit deel van de uitspraak te controleren, moet je kijken naar de belastingmaatregelen voor de hoogste inkomens en mensen met veel vermogen. Alleen de koopkrachtcijfers zijn daarvoor niet genoeg.
Ook de Rijksoverheid maakt in de Prinsjesdagstukken onderscheid tussen verschillende soorten belastingen en inkomensgroepen. Voor deze factcheck moet daarom worden gekeken naar de concrete maatregelen en bedragen, en niet alleen naar de gemiddelde koopkracht.
Deskundige aan het woord
Om de cijfers beter te kunnen beoordelen, spreek ik met Arjan Lejour, hoogleraar aan de Universiteit Tilburg. Ik vroeg hem of de claim van Klaver correct of incorrect is.
“Dan is het gedeeltelijk juist en gedeeltelijk onjuist, als je kijkt naar de belasting gaat de ‘gewone’ mens er niet op vooruit, maar er gaan niet direct miljarden naar de allerrijkste”.
Daarnaast vertelt hij dat de mensen met hun inkomens uit vermogens en aandelen vooral, niet meer belasting gaan betalen.
Volgens Lejour is het belangrijk om onderscheid te maken tussen bezuinigingen van de overheid en wat huishoudens uiteindelijk zelf merken. “In eerste instantie gaat er niemand volgend jaar erop vooruit en de komende jaren gaat iedereen meer belasting betalen.”
Ook vindt hij het overdreven dat Klaver stelt dat de ‘gewone’ mens er miljarden op achteruit gaat en dat de allerrijkste er miljarden bij krijgen: “Ik weet niet hoe hij daarbij komt”.
Conclusie
De uitspraak van Jesse Klaver is niet goed onderbouwd. Er zijn wel maatregelen die financiële gevolgen hebben voor huishoudens, maar een groot deel van de eerder geplande bezuinigingen op de sociale zekerheid is geschrapt of uitgesteld. De koopkrachtcijfers laten bovendien zien dat lage inkomens er gemiddeld 0,2 procent op vooruitgaan, terwijl midden- en hogere inkomens er gemiddeld iets op achteruitgaan.
Voor het tweede deel van de uitspraak is geen bewijs gevonden dat de allerrijksten er miljarden bij krijgen. De groep ‘hogere inkomens’ is bovendien niet hetzelfde als de allerrijksten. Op basis van de onderzochte cijfers kan daarom niet worden geconcludeerd dat gewone mensen miljarden inleveren en de allerrijksten miljarden extra krijgen.