Rente plafond op studieleningen niet haalbaar: kosten vallen vier keer hoger uit dan gedacht

Rente plafond op studieleningen niet haalbaar: kosten vallen vier keer hoger uit dan gedacht

De belofte van de coalitie om de rente op studieleningen niet hoger dan 2,5 procent op te laten lopen blijkt financieel niet haalbaar. Het kabinet heeft jaarlijks 40 miljoen euro uitgetrokken voor de maatregel, maar volgens minister Rianne Letschert, van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, is er zeker 160 miljoen euro nodig om het plan te realiseren. De gestegen marktrente maakt de invoering volgens haar onverantwoord.

Het plan leek in eerste instantie betaalbaar. Hoewel D66 een rentepercentage van 0 procent voor studieschuld van de pech generatie in hun verkiezingsprogramma had staan, heeft het coalitieakkoord afgesproken dat de rente op studieleningen tot aan 2,5 procent op zou lopen. Om dat mogelijk te maken, reserveerde het kabinet structureel 40 miljoen euro per jaar. Die berekening was gebaseerd op een verwachte langetermijnrente van 2,7 procent. De overheid hoefde in dat geval slechts een beperkt verschil te compenseren om de rente voor studenten en oud-studenten onder de afgesproken grens te houden.

Maar de financiële situatie is veranderd. De langetermijnrente steeg volgens schattingen van het Centraal Planbureau van 2,7 naar 3,3 procent. Vooral geopolitieke spanningen en de daarmee samenhangende onzekerheid op financiële markten spelen daarbij een rol. Daardoor werd het steeds duurder om het verschil tussen de marktrente en het afgesproken maximum van 2,5 procent op te vangen.

Bij de huidige rente en de verwachte omvang van de totale studieschuld kost het renteplafond ongeveer 160 miljoen euro per jaar. Dat is dus vier keer zoveel als het bedrag dat de coalitie heeft gereserveerd en zou een tekort van 120 miljoen per jaar betekenen.

Het financiële probleem van een renteplafond zit niet alleen in de huidige kosten. Omdat de overheid de leningen financiert met staatsobligaties lopen de kosten van een renteplafond op wanneer de marktrente, en dus ook de rente op obligaties, stijgt. De overheid moet dan meer betalen om de rente voor studenten en oud-studenten op maximaal 2,5 procent te houden.

Volgens Letschert maakt juist die afhankelijkheid de maatregel risicovol. De overheid heeft weinig invloed op internationale ontwikkelingen die de rente beïnvloeden. Een nieuwe economische of geopolitieke schok kan de kosten daardoor opnieuw flink verhogen.

Ook de omvang van de totale studieschuld speelt een rol. Veranderingen in leen- en aflossingsgedrag kunnen de uiteindelijke kosten beïnvloeden. Daardoor is vooraf moeilijk vast te stellen hoeveel geld de regeling op langere termijn precies zal vergen.

De woordvoerder van het ministerie van OCW, Dahran Çoban, waarschuwt bovendien dat eventuele extra uitgaven binnen de begroting van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap moeten worden opgevangen: ‘Dat kan ten koste gaan van andere uitgaven van het ministerie.’ Zonder aanvullende financiële dekking zou het renteplafond dus een onzekerheid kunnen introduceren die de rest van de onderwijsbegroting in gevaar brengt.

Maar welke gevolgen heeft dit voor oud-studenten uit de pechgeneratie? In deze reportage spreekt Neele Boels, voorzitter van FNV Young & United, over de problemen waar oud-studenten uit de pechgeneratie mee zitten. Daarnaast duidt Spijker van der Horst hoe studieschuld invloed heeft op het krijgen van een hypotheek.

Over de auteur

Kai van Kordelaar

Mijn naam is Kai van Kordelaar (2004), tweedejaars student aan de School voor Journalistiek bij Hogeschool Utrecht. Ik schrijf voornamelijk over politieke- en sociaal-maatschappelijke vraagstukken op nationaal niveau voor SvJ media. Ik hou deze onderwerpen dan ook nauwlettend in de gaten en wil hier in de toekomst documentaires over maken/verslag van doen op internationaal niveau.