Bij Goedemorgen Nederland werd gesteld dat vrouwen vaker overlijden aan hart- en vaatziekten, omdat er minder onderzoek naar hen wordt gedaan en medicijnen onvoldoende op vrouwen worden getest. Als je kijkt naar de beschikbare cijfers en onderzoek, kan echter niet worden geconcludeerd dat dit de enige oorzaak is van het hogere sterftecijfer bij vrouwen.
Oordeel
Ongefundeerd
Bron van bewering
Op 3 februari stelde Jet Bussemaker, voorzitter Raad voor Volksgezondheid & Samenleving, bij Goedemorgen Nederland dat vrouwen vaker overlijden aan hart- en vaatziekten omdat er te weinig onderzoek naar vrouwen wordt gedaan en medicijnen onvoldoende op vrouwen worden getest. Het programma heeft een groot bereik en deze uitzending had naar schatting gemiddeld 240.000 kijkers. Wanneer een mogelijke oorzaak van sterfte zo expliciet benoemd wordt, kan dit invloed hebben op hoe mensen naar de gezondheidszorg en medische behandelingen kijken. De vraag die gesteld moet wordenis of dit daadwerkelijk de hoofdoorzaak is van het sterftecijfer bij vrouwen met hart- en vaatziekten?
Dodenaantal
De cijfers van het CBS van 1991 tot en met 2024 laten zien dat er in Nederland (met uitzondering van 2023) meer vrouwen dan mannen overlijden aan hart- en vaatziekten. In 1991 was het verschil in sterftecijfer 369 sterfgevallen. Het verschil tussen het aantal sterfgevallen bij mannen en vrouwen is de afgelopen periode afgenomen. De laatste cijfers van 2024 laten zien dat het dodental van mannen en vrouwen dichtbij elkaar ligt. Dat jaar stierven er 19.050 vrouwen aan hart- en vaatziekten, tegenover 19.039 mannen, wat een verschil van eenentwintig laat zien.
Hoewel de cijfers in Nederland steeds dichter bij elkaar liggen, sterven wereldwijd nog altijd veel meer vrouwen dan mannen aan hart- en vaatziekten. Interventie cardioloog en onderzoeker Yolande Appelman van Amsterdam UMC legt uit: ‘De schijnbare gelijkheid in Nederland betekent niet dat vrouwen minder vaak aan hart- en vaatziekten overlijden.’ De vraag blijft dus: wat verklaart dit verschil?
Onderzoek
Volgens onderzoek van Netherlands Heart Journal richten de eerste grote studies naar hart- en vaatziekten in de jaren vijftig zich voornamelijk op mannen, omdat destijds duidelijk werd dat hart- en vaatziekten vaker bij mannen voorkwamen. Ook zou het makkelijker zijn om onderzoek te doen op mannen. Vrouwen werden daardoor vaak niet meegenomen in onderzoek of hun gegevens werden niet apart geanalyseerd, waardoor hier wereldwijd veel kritiek op kwam in de jaren 90.In Nederland kwam vanaf 2013 meer specifieke aandacht voor de hartgezondheid van vrouwen, onder meer via onderzoeksprogramma’s van de Hartstichting. Sinds 2015 moeten door de Hartstichting gefinancierde studies voldoen aan criteria waarbij de onderzoeksvraag zowel voor mannen als voor vrouwen wordt onderzocht en dat betekent dat er voldoende vrouwen in het onderzoek moeten worden geïncludeerd.
Uit ander onderzoek gepubliceerd in het Netherlands Heart Journal in 2025 blijkt dat vrouwen nog steeds ondervertegenwoordigd zijn in studies naar hart- en vaatziekten. Vrouwen namen gemiddeld minder deel dan op basis van hun ziektelast verwacht mocht worden. In 58% van de onderzochte studies waren zij duidelijk ondervertegenwoordigd.
‘De wetenschap is vaak gebaseerd op mannen, maar dat betekent niet dat we niets over vrouwen weten,’ vertelt Appelman. Ze legt uit dat vrouwen in veel studies een minderheid vormen, waardoor bijwerkingen bij hen minder goed zichtbaar zijn en vrouw-specifieke risicofactoren ook niet worden meegenomen in onderzoek. Vrouwen hebben vaak andere klachten of hebben andere symptomen dan mannen, waardoor diagnoses later of niet worden gesteld. Volgens Appelman geldt dat wanneer iets niet expliciet bij vrouwen is onderzocht, we niet zeker weten of een medicijn hetzelfde effect heeft, maar dat hoeft niet te betekenen dat de medicijnen niet op vrouwen werken.‘Er valt zeker veel winst te behalen in onderzoek en ik ben het er dan ook mee eens dat er meer onderzoek naar gezondheid-ziekte bij vrouwen moet worden gedaan,’ benadrukt ze.
Appelman zegt dat het te simplistisch is te zeggen dat het hogere sterftecijfer bij vrouwen uitsluitend door te weinig onderzoek komt en dat ze minder aan medicijntesten doen. ‘Dat speelt mee, maar het is een belangrijk factor binnen een groter geheel.’ Ze zegt dat andere factoren ook meespelen, zoals de levensverwachting en hun levensstijl: ‘Vrouwen worden gemiddeld ouder dan mannen, en hart- en vaatziekten komen vooral op hogere leeftijd voor, dus het is ook niet vreemd dat zij vaker overlijden aan hart- en vaatziekten, aangezien je ooit ergens dood aan moet gaan.’ Daarnaast ziet ze ook een rol van veranderde levensstijl: ‘Vrouwen leven steeds ongezonder, werken meer en ervaren meer stress. Dit beïnvloedt de cijfers; hart- en vaatziekten komen mede daardoor steeds vaker bij vrouwen voor ook op jongere leeftijd.’
Tenslotte speelt een rol dat er al veel kennis is van vrouiw-man verschillen in hart- en vaatziekten maar dat deze kennis nog niet of onvoldoende wordt geïmplementeerd in onderwijs, opleiding en in de spreekkamer. Appelman zegt dat vrouwen dan niet de behandeling krijgen die ze verdienen. ‘Zo is er bijvoorbeeld veel onbekendheid over het feit dat bepaalde hartziekten vrijwel alleen bij vrouwen voorkomen!’
Conclusie
De bewering dat vrouwen vaker overlijden aan hart- en vaatziekten, omdat er te weinig onderzoek naar hen wordt gedaan en medicijnen niet op vrouwen worden getest, is heel belangrijk maar te kort door de bocht. Ondervertegenwoordiging van vrouwen in onderzoek speelt een rol, maar verklaart niet op zichzelf het sterfteverschil. De levensverwachting bij vrouwen speelt ook een rol bij het sterftecijfer en daarbij onvoldoende implementatie van bestaande kennis. De werkelijkheid is complexer en het is dus te simpel om te zeggen dat het alleen komt door te weinig onderzoek.
