Tijdens deze Olympische Spelen behaalde Nederland een recordaantal medailles in het shorttrack, in totaal zeven medailles. De vraag is niet alleen, wat betekent dit voor de toekomst? Maar ook waar komt deze medaillewinnende ploeg vandaan?
Volgens de oud-bondscoach shorttrack Jeroen Otter ligt de basis al ruim twaalf jaar terug. ‘Rond 2014 heeft de KNSB bewust geïnvesteerd in wat zij de ‘pijplijn’ noemen: een sterk juniorenprogramma. Het doel was om na de succesvolle generatie van 2014 opnieuw een nieuwe lichting topatleten klaar te stomen voor de toekomst.’ Hij vertelt dat deze programma’s zijn verspreid over vijf locaties in Nederland en trainen sinds die tijd zo’n vijftien tot twintig jonge rijders dagelijks, vaak twee keer per dag, onder professionele begeleiding. ‘Maar liefst acht van de tien shorttrackers die nu aan de start van de Spelen, hebben dat volledige traject doorlopen.’, benadrukt Otter.
Toch draait succes volgens hem niet alleen om betere begeleiding. Otter benadrukt dat ook onze shorttrackers steeds volwassener zijn geworden. ‘Shorttrackers moeten patronen leren herkennen, fysiek sterker worden en zich technisch blijven ontwikkelen. Dat kost nou eenmaal tijd en ervaring. Wie meerdere keren op een wereldpodium heeft gestaan, is niet langer alleen een talent, maar een echte topsporter’, legt de oud-bondscoach uit.
Otter pakt rijders als Xandra Velzeboer en Jens van ’t Wout als voorbeeld. Zij maakten beiden al deel uit van de olympische ploeg van 2022. Velzeboer won daar goud in de relay en werd kort daarna wereldkampioen op de 500 meter en derde op de 1000 meter, naast meerdere andere podiumplaatsen. Het talent was destijds al duidelijk zichtbaar, maar in de afgelopen drie jaar heeft zij meer stabiliteit getoond. Waar haar prestaties eerder nog wisselend waren, presteert ze nu vrijwel iedere wedstrijd op het hoogste niveau, aldus Otter. Volgens hem is dat het resultaat van meer wedstrijdervaring en mentale ontwikkeling, iets waarin de Nederlandse shorttrackers grote stappen hebben gezet. ‘Omdat de Nederlandse rijders zoveel ervaring hebben, handelen ze vaak intuïtief. Ze herkennen wedstrijdsituaties direct en reageren sneller dan hun tegenstanders.’
Het grootste wapen van Nederland is volgens Otter onze topsnelheid. ‘Het team onderscheidt zich door pure snelheid, daardoor kunnen de rijders op een iets lager tempo, submaximaal, rijden, terwijl dat voor andere landen al hun maximale snelheid is.’ Dat geeft ruimte. Ruimte om overzicht te houden, om tactisch te denken en om situaties beter in te schatten dan de concurrentie.’
