UTRECHT – Tijdens een lezing van Menno Lanting in Bibliotheek Neude is opnieuw aandacht gevraagd voor een vergeten stuk geschiedenis. Tot halverwege de twintigste eeuw werden kinderen, ouderen en mensen met een beperking in Nederland uitbesteed aan particulieren en gebruikt als goedkope arbeidskrachten. Vrijdag 13 februari vertelde Lanting hoe het systeem van bestedelingen werkte en waarom kinderen en ouderen werden uitbesteed.
Armoede was een belangrijke reden voor het uitbesteden van deze groepen. In 1877 waren er in Nederland ongeveer 30.000 weeskinderen, waarvan 10.000 in een weeshuis zaten. De overige 20.000 werden uitbesteed aan particulieren. Voor veel van deze bestedelingen, vooral bij arme boerengezinnen, waren de leefomstandigheden slecht. Officieel moesten verzorgers zorgen voor goede voeding en kleding, maar dat gebeurde lang niet altijd. “De bestedelingen moesten natuurlijk wel geld opleveren,” vertelde Lanting tijdens de lezing.
Ook in Utrecht speelde armoede een grote rol bij deze praktijk. De stad had in die tijd veel arme inwoners en te weinig plekken in weeshuizen en gasthuizen. Daarom werden kinderen vaak uitbesteed aan gezinnen in dorpen rondom de stad, zoals Houten en Maartensdijk. Daar werden ze meestal gezien als arbeidskrachten. Ouderen werden vaak ingezet als oppas en jongere kinderen moesten helpen met werk op het erf, zoals dieren voeren. Volgens Lanting ging het dan vaak meer om het geld dan om de zorg.
Vergeten geschiedenis
Dat er zo lang weinig over dit onderwerp is gesproken, komt volgens historici doordat de betrokkenen weinig vastlegden. “Het gaat om mensen aan de onderkant van de samenleving, zij schreven meestal niet,” zegt Joost Boomsma van Historische Vereniging Oud-Utrecht. Hij organiseert elke maand een historisch café en deze maand ging dat over de bestedelingen. Volgens hem komt dit verhaal in veel families voor, zowel bij bestedelingen als bij gezinnen die hen opnamen. “Het is bijzonder dat zo weinig mensen hiervan weten, terwijl het zo lang heeft bestaan.”
De praktijk ontstond ook doordat instellingen overbelast raakten. Gasthuizen en weeshuizen waren vaak ingericht op vijftig tot honderd mensen per jaar en konden de grote aantallen niet aan. Oorlogen en armoede zorgden voor een grotere toestroom. Tegelijk probeerden steden met maatregelen zoals een bedelverbod de straten rustiger te maken. Daardoor werd het probleem verplaatst naar instellingen en gezinnen. Gemeenten zochten manieren om de kosten te beperken, waardoor het uitbesteden bleef bestaan.
Bezoekers van de lezing zien ook overeenkomsten met het heden. “Mensenhandel is van alle tijden,” zegt bezoeker Margreet Veren. Volgens haar willen mensen hun eigen geschiedenis vaak liever positief zien. “Daarom is het goed dat dit onderwerp nu wordt besproken.” Lanting hoopt dat zijn boek en lezingen ervoor zorgen dat meer mensen dit verleden leren kennen en erover blijven praten.
