Nieuwegein – Het aantal mensen dat betaald sport in Nieuwegein ligt lager dan het gemiddelde in Nederland. Dat blijkt uit statistieken van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) en onderzoek van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM).
In vergelijking met andere gemeenten waar meer mensen lid zijn van een sportvereniging, valt één factor sterk op: het gemiddelde inkomen. Vooral onder jongeren tussen de 10 en 25 jaar is een groot verschil zichtbaar. In Bloemendaal is 79 procent van deze leeftijdsgroep lid van een sportvereniging, terwijl dat in Nieuwegein slechts 41 procent is. Het landelijke gemiddelde ligt op 42 procent.
Inkomensverschillen
Laura Butselaar is specialist jeugd bij Kenniscentrum Sport & Bewegen. Zij richt zich onder meer op kwetsbare jongeren die opgroeien in armoede. ‘In de sport- en beweegwereld zie je dat kinderen die opgroeien in gezinnen met een lager inkomen fors minder sporten dan kinderen uit gezinnen met een hoger inkomen,’ aldus Butselaar.
Wel maakt zij onderscheid tussen sporten en bewegen. Mensen met een lager inkomen bewegen niet per definitie minder. Huishoudelijke taken, fietsen naar werk of school en andere dagelijkse activiteiten vallen ook onder bewegen. Juist deze vormen van beweging komen vaker voor in huishoudens met een lager inkomen.
De kloof tussen sportdeelname van kinderen uit verschillende inkomensgroepen is niet alleen zichtbaar in Nieuwegein en Bloemendaal, maar in heel Nederland. Dat heeft maatschappelijke gevolgen. Sport is voor kinderen namelijk niet alleen belangrijk voor hun fysieke gezondheid, maar ook voor hun sociale ontwikkeling. Op een sportclub ontmoeten zij leeftijdsgenoten, leren zij samenwerken en bouwen zij zelfvertrouwen op. Daarnaast gebruiken veel jongeren sport als manier om hun hoofd leeg te maken. Wanneer sporten financieel niet haalbaar is, missen zij deze voordelen.
In de grafiek is te zien hoe de gemeente Nieuwegein qua inkomen net iets onder het gemiddelde van Nederland ligt. Ook is de sportdeelname zichtbaar; in Nieuwegein ligt deze lager dan het landelijk gemiddelde. Ter vergelijking is Bloemendaal weergegeven: met een gemiddeld hoger inkomen ligt de sportdeelname daar ook veel hoger.
Daarnaast is te zien hoe de landelijke verdeling is tussen het lidmaatschap van een sportvereniging en een abonnement bij een sportaanbieder (denk aan een sportschool), en hoe dit is verdeeld per leeftijdscategorie.
Andere factoren
Hoewel inkomen een van de belangrijkste factoren is die invloed heeft op sportdeelname, is het niet de enige. ‘Naast gezinswelvaart spelen ook geslacht, migratieachtergrond en gezondheid een rol. Vooral bij kwetsbare groepen zie je dat het vaak gaat om een opeenstapeling van factoren,’ zegt Butselaar.
Daarnaast wijst zij op culturele verschillen. In sommige gezinnen wordt sport meer gestimuleerd voor jongens dan voor meisjes. Jongens sporten daardoor vaker, terwijl meisjes relatief meer tijd besteden aan huishoudelijke taken. Ook de puberteit speelt een rol. Veranderingen in het lichaam en een groeiend gevoel van onzekerheid kunnen ervoor zorgen dat meisjes afhaken bij sportverenigingen. De angst om beoordeeld of uitgelachen te worden, vormt daarbij soms een extra drempel.
Advies voor gemeenten
Volgens Butselaar ligt de oplossing niet uitsluitend in het verlagen van contributiekosten. Gemeenten moeten breder kijken naar de toegankelijkheid van sport. Daarbij gaat het onder meer om het bereiken van gezinnen die ondersteuning nodig hebben en het verlagen van administratieve drempels bij regelingen voor sportdeelname.
Ook moet het sportaanbod beter aansluiten op de behoeften van jongeren. Gemeenten kunnen daarin samenwerken met scholen, jongerenwerkers en sportverenigingen. ‘In Nederland hebben we een heel mooi sportaanbod, maar er zit vaak weinig flexibiliteit in. Bovendien is het aanbod regelmatig competitief ingericht,’ zegt Butselaar.
Volgens haar kan dat juist voor jongeren die nog niet sporten een extra drempel vormen. Door sport toegankelijker, flexibeler en beter afgestemd op de doelgroep te maken, kunnen gemeenten meer jongeren bereiken. Daarmee kan de kloof in sportdeelname tussen kinderen uit verschillende inkomensgroepen mogelijk worden verkleind.
