Steeds opnieuw mis: waarom motorongelukken blijven gebeuren

Steeds opnieuw mis: waarom motorongelukken blijven gebeuren

Motorrijden is in Nederland een relatief kleine groep in het verkeer, maar wel één met een opvallend hoog aandeel ernstig letsel bij ongevallen. Cijfers van de Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Verkeersveiligheid laten zien dat het aantal dodelijke slachtoffers onder motorrijders al jaren niet duidelijk daalt, terwijl andere verkeersgroepen wel veranderingen laten zien. Dat maakt het een hardnekkig verkeersveiligheidsprobleem, maar niet per se één met een simpele oorzaak.

Wat vooral opvalt in de data is dat motorongevallen zich concentreren in een beperkt aantal terugkerende situaties. Volgens SWOV gaat het onder meer om enkelvoudige ongevallen waarbij controleverlies optreedt, bijvoorbeeld in een bocht of bij een remactie, aanrijdingen waarbij een motorrijder achterop een voorganger botst en conflicten waarbij de motorrijder door een andere verkeersdeelnemer over het hoofd wordt gezien. Het gaat dus niet om willekeurige incidenten, maar om herkenbare verkeerssituaties die telkens opnieuw misgaan.

Om die ongevallen beter te begrijpen, doet de SWOV ook diepgaand onderzoek op locatie. Kirsten van Duijvenvoorde is als ongevallenonderzoeker betrokken bij dat zogeheten diepteonderzoek. Ze inspecteert ongevalslocaties, onderzoekt voertuigen en reconstrueert wat er precies is gebeurd.

“Het is niet zo dat we altijd precies kunnen zeggen wat er gebeurd is. Daarvoor missen we vaak kenmerken in de data,” zegt ze. “Daarom proberen we ongevallen juist kwalitatief in de diepte te onderzoeken.”

Een belangrijk inzicht uit dat onderzoek is dat motorongevallen zich in uiteenlopende verkeerssituaties voordoen, en dus niet aan één specifiek type weg gebonden zijn. Wel spelen factoren als onoverzichtelijke wegdelen, bochten en interactie met ander verkeer vaak een rol. In zulke situaties is het verkeer minder voorspelbaar en is de marge om fouten te corrigeren klein. Dat maakt dat kleine afwijkingen in snelheid of stuurgedrag sneller doorschieten naar een ongeval.

Om beter te begrijpen wat er misgaat, kijkt SWOV niet alleen naar cijfers, maar ook naar individuele ongevallen.
“We willen eigenlijk elk ongeval een verhaal geven,” zegt Van Duijvenvoorde. “Er zitten mensen achter die cijfers. Door voertuigen te checken en situaties te reconstrueren, kom je dichter bij wat er echt gebeurd is.”

Ook het type motorongeval zegt iets over de manier waarop risico zich opbouwt. Bij enkelvoudige ongevallen speelt vaak een combinatie van snelheid, wegdekconditie en bochtstraal een rol. Bij conflicten met ander verkeer gaat het eerder om timing in verkeersstromen die elkaar kruisen of inhalen. In beide gevallen ontstaat het risico dus niet op één moment, maar in een opeenstapeling van factoren.

Daarnaast laat de analyse zien dat de ernst van motorongevallen structureel hoger ligt dan bij andere voertuigen. Dat komt niet alleen door de snelheid of het type weg, maar vooral door de fysieke kwetsbaarheid van de bestuurder. Er is geen buffer tussen mens en weg, waardoor de impact van een fout direct groot is.

Volgens Van Duijvenvoorde ligt de oplossing dan ook niet op één plek.
“Alleen inzetten op campagnes is niet genoeg,” zegt ze. “De inrichting van de weg speelt net zo goed een rol. Denk aan zichtlijnen bij kruispunten, waar begroeiing of geparkeerde auto’s het zicht kunnen belemmeren.”

Daarbij wordt een deel van de motorrijders volgens haar nog te vaak over het hoofd gezien in beleid en infrastructuur.
“Motorrijders zijn minder zichtbaar en kwetsbaarder. Daar moet je in het ontwerp van wegen en kruispunten echt rekening mee houden.”

Techniek kan volgens haar ook helpen om risico’s te verkleinen.
“Bij veel ongevallen zien we bijvoorbeeld dat motoren geen ABS hebben. Dat soort systemen kan echt verschil maken.”

Tegelijkertijd plaatst ze kanttekeningen bij voorlichting als enige oplossing.
“De vraag is altijd in hoeverre voorlichting echt effect heeft als je dat als enige middel inzet. Aanvullende rijtrainingen kunnen wel degelijk bijdragen aan het vergroten van vaardigheden en risicobewustzijn.”

In de videoreportage verschuift de focus daarom naar die praktijk. Daarin spreek ik met Arjan Everink, Hoofd Verkeer en Opleidingen bij de Koninklijke Nederlandse Motorrijders Vereniging, over hoe aandacht en waarneming een rol spelen in verkeersgedrag. Ook vertelt Bart, een 20-jarige motorrijder, hoe hij zelf ervaart hoe hij wordt gezien in het verkeer en wat dat betekent voor zijn rijgedrag.

Over de auteur

Ymke Reindersma

Ymke Reindersma is 18 jaar oud en is een tweedejaars student journalistiek aan de Hogeschool Utrecht. Ze weet nog niet precies waar haar journalistieke ambities liggen.