Nederland gaf in 2020 4,9 procent van de totale overheidsuitgaven uit aan transport. In 2024 was dat nog steeds 4,9 procent. Vergeleken met andere landen in de Europese Unie houdt Nederland zijn infrastructuuruitgaven opvallend stabiel. Hoe komt dat?
Die stabiliteit is geen toeval, volgens Bert van Wee, hoogleraar transportbeleid aan de TU Delft. ‘’Nederland kent een langetermijnplanning voor transportinfrastructuur, die is vastgesteld in het Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport.’’ In dat plan wordt voor tien jaar vooruitgekeken naar wat er moet gebeuren. ‘’Kabinetten zijn vaak voorzichtig om die afspraken terzijde te schuiven’’, aldus Van Wee. Diezelfde planningslogica is terug te zien bij landen als Zweden en België, waar de uitgaven eveneens weinig schommelen.
Onder het Europese gemiddelde
Het Europese gemiddelde ligt rond de 6 procent, met uitschieters als Hongarije en Letland. Zij besteedden in 2020 nog meer dan 10 procent van hun totale overheidsuitgaven aan transport. In 2024 lag dat aandeel al een stuk lager. Nederland zit met zijn percentage onder het Europese gemiddelde, maar is tegelijkertijd wel veruit het meest stabiele land van de lijst.
Maar volgens Van Wee zegt een stabiel uitgaveniveau niets over hoe dat geld wordt verdeeld. En juist daar zit volgens hem het probleem. ‘’We geven in verhouding te weinig geld uit aan onderhoud en beheer. Dat komt doordat de aanleg van een nieuwe weg meer aandacht trekt dan een opgeknapt viaduct.’’ Volgens de hoogleraar raakt daardoor de balans zoek.
Duitsland moet veel opknappen
De vergelijking van de hoogleraar is simpel: ‘’Als je het schilderwerk van je huis niet onderhoudt, gaat de kwaliteit achteruit. Op lange termijn ben je duurder uit, omdat je rotte kozijnen krijgt. Wat je hebt, moet je economisch optimaal onderhouden.’’ De vraag die oproept is, of het stabiele percentage dat Nederland aan transport uitgeeft in de toekomst voldoende zal zijn om de infrastructuur op peil te houden.
Verantwoording
Transport is een brede definitie die niet alleen de aanleg en het onderhoud van wegen, spoor-, water- en luchtvaartinfrastructuur omvat. Maar ook subsidies en bijdragen aan vervoersbedrijven, zoals openbaarvervoermaatschappijen.
Voor deze productie is gebruik gemaakt van data van Eurostat, uit de dataset General government expenditure by funtion. Eurostat verzamelt deze cijfers aan de hand van nationale rekeningen, die de EU-landen jaarlijks aanleveren.
Aan de hand van deze data is er een verschil tussen 2020 en 2024 berekend, om te zien welke landen stabiel zijn gebleven en welke sterk fluctueerden. Daarnaast is gekeken naar de verandering in miljoenen euro’s.
