Amsterdam mag dit jaar voor het eerst de Worldpride organiseren. Dit internationale evenement viert en bevordert de emancipatie van de lhbti-gemeenschap wereldwijd. Aan Amsterdam dit jaar de eer, omdat hier 25 jaar geleden het allereerste homohuwelijk werd gesloten. Toch voelen vandaag de dag lang niet alle groepen binnen de lhbti-gemeenschap zich geaccepteerd.
‘Na de openstelling van het huwelijk heerste in de politiek en de samenleving het gevoel: we zijn nu wel klaar’, vertelt Philip Tijsma, woordvoerder van COC Nederland. Veel mensen zagen het als sluitstuk, de emancipatie was voltooid. Dat terwijl veel wetgeving nog niet op orde was. Zo moesten bijvoorbeeld transgender en intersekse personen die hun geslachtsregistratie wilden aanpassen tot 2014 verplichte operaties en sterilisatie ondergaan. Bovendien, een norm in de wet betekent nog niet een norm in de samenleving. ‘Alleen omdat het nu volgens de wet mocht, betekende niet dat iedereen er ook achter stond. Nog steeds durven veel stellen van hetzelfde geslacht niet hand in hand op straat te lopen of met elkaar te zoenen.’
Dat de lhbti-gemeenschap nog steeds niet door iedereen Nederland geaccepteerd wordt, zien we terug in de cijfers. Uit de lhbtiqa+-monitor 2024 in opdracht van het Ministerie van OCW blijkt dat de acceptatie van voornamelijk non-binaire en bi+-personen achterblijft. Dit zijn mensen die zich niet enkel of helemaal man of vrouw voelen en mensen die zich aangetrokken voelen tot meer dan één gender. Mariecke van den Berg, hoogleraar religie, gender en seksualiteit aan de VU, legt uit waarom deze acceptatie achterblijft. ‘Non-binaire, trans- en bi+-personen kijken verder dan tot wie je je aangetrokken mag voelen. Zij bevragen wat mannelijkheid en vrouwelijkheid eigenlijk inhoudt. Dit ervaren mensen sneller als bedreiging, omdat hierdoor alles op losse schroeven komt te staan.’ Van den Berg merkt dat soms misbruik wordt gemaakt van deze angst. ‘Populistische partijen hebben soms de neiging om op deze angst in te spelen. Terwijl niemand zegt dat het oude (man/vrouw) niet meer mag. Non-binaire, trans- en bi+-personen vragen alleen of de norm iets kan worden opgerekt, zodat er ook ruimte voor hen ontstaat.’

Bron: Panteia/Movisie, vragenlijst lhbtiqa+ monitor 2024, bewerking Ipsos I&O.
Hoewel de acceptatie van de lhbti-gemeenschap nog steeds groeit, merken lhbti’ers dat niet terug binnen hun omgeving. Uit onderzoek van EenVandaag in 2025 blijkt dat nog maar 43 procent van de lhbti+’ers vindt dat het goed gaat met de acceptatie in Nederland. Zij ervaren dat haat tegen de gemeenschap meer ruimte krijgt, zowel online als offline. Het is het zoveelste jaar dat het gevoel van acceptatie daalt. Ook Tijsma ziet dit dubbele beeld terug. ‘Aan de ene kant stellen onderzoeken vast dat de acceptatie onder Nederlanders nog steeds groeit. Aan de andere kant maken we ons zorgen om de stijging van het aantal meldingen van geweld tegen de gemeenschap. Wij merken dat de groep die negatief staat tegenover lhbti’ers bozer en luider is geworden. Zij nemen veel ruimte in.’ Bij het COC zien ze een verband tussen de zichtbaarheid van de lhbti-gemeenschap en de haat die zij ervaren. ‘De gemeenschap is de laatste jaren steeds zichtbaarder geworden. We denken dat een deel van de bevolking daar moeite mee heeft.’
De laatste jaren hebben ook groepen binnen de lhbti-gemeenschap om hun zichtbaarheid gestreden. ‘Vroeger vormden homo’s en lesbiennes het dominante beeld van de lhbti-gemeenschap’, aldus Tijsma. Maar transseksuele, intersekse, non-binaire of aseksuele personen maken ook onderdeel uit van de gemeenschap. Zij zijn minder ver geëmancipeerd en lopen daardoor tegen andere problemen aan. Daarom is het voor hen belangrijk om ook die kwesties te bespreken. Dit kan tot verdeeldheid leiden binnen de gemeenschap. Van den Berg: ‘Voor homo’s en lesbiennes is de emancipatie voor een groot deel succesvol geweest. Voor hen kan het bedreigend zijn als andere groepen ook om emancipatie vragen. Straks worden we te luid en leidt dat tot weerstand tegen de hele groep.’ Toch moet de gemeenschap zich niet uit elkaar laten spelen. ‘Iedereen binnen de gemeenschap weet hoe het is om onderdrukt te worden. Nog maar iets meer dan 25 jaar geleden mochten twee mensen van hetzelfde geslacht niet met elkaar trouwen. Kijk hoever je bent gekomen en gebruik dit om je in te zetten voor elkaars rechten.’
Ook is er volgens Van den Berg tegenwoordig meer aandacht voor intersectionaliteit. Dit houdt in dat je positie in de maatschappij bepaald wordt door verschillende factoren, zoals achtergrond, geslacht, inkomen, opleiding, seksualiteit, etc. Sommige kenmerken leveren bepaalde voordelen op, andere kenmerken gaan vaak gepaard met minder kansen en discriminatie. ‘Mensen die aandacht willen vragen voor een bepaalde kwestie, doen dat vaak uit een gedeeld probleem of een gedeelde identiteit’, vertelt Van den Berg. Maar bij intersectioneel denken zetten mensen zich meer in tegen ongelijkheid in het algemeen. Dit leidt tot solidariteit tussen onderdrukte groepen onderling. Bijvoorbeeld lhbti’ers die voor de Palestijnen opkomen. Van den Berg plaatst hierbij wel een kanttekening. ‘Je kan ongelijkheid in het algemeen niet oplossen. Je moet je boodschap toespitsen om het begrijpelijk te houden en effect uit te oefenen.’ Bovendien kan deze solidariteit leiden tot verdeeldheid binnen de gemeenschap, omdat niet iedereen hetzelfde denkt over deze onderwerpen. Van den Berg denkt dat deze solidariteit ook positief kan zijn. ‘De diversiteit binnen de gemeenschap kan ook een kracht zijn. Zolang je niet kijkt naar wie zijn rechten het belangrijkst zijn, kun je elkaar steunen. Het bevechten van je eigen rechten moet nooit ten koste gaan van die van een ander.’
