Afgelopen donderdag 20 maart claimde oud-Eerste Kamerlid (PVV) René Dercksen in Ongehoord Nieuws dat gemeenten die het verbod van minister Keijzer omzeilen, en dus statushouders voorrang op sociale huurwoningen willen verlenen, bezig zijn met ‘discriminatie van Nederlanders te bepleiten’. Uit verder onderzoek naar de claim blijkt deze niet te bewijzen.
In de uitzending van het live opinieprogramma worden de eerste paar minuten besteed aan het Nederlandse huisvestingsbeleid rondom statushouders (asielzoekers die een verblijfsvergunning hebben gekregen). Presentator Tom de Nooijer pakt een krantenkop van De Telegraaf van die morgen erbij en opent hiermee het gesprek. De kop luidt: ‘Toch voorrang statushouders op sociale huurwoning: gemeenten willen verbod minister Keijzer omzeilen’. Dercksen reageert hier gelijk op en stelt zijn claim. Volgens de tafelgast zullen desbetreffende gemeenten, bestaande uit Elburg, Ermelo, Harderwijk, Nunspeet, Oldebroek en Putten, zich dus schuldig maken aan het ‘bepleiten’ van ‘discriminatie van Nederlanders’.
Context
Minister Mona Keijzer (Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening) diende afgelopen februari een wetsvoorstel in dat in lijn ligt met de wensen en doelen uit het hoofdlijnenakkoord. In dit akkoord, tot stand gekomen onder leiding van onder andere haar partij (BBB), beloofden de coalitiepartijen ‘houvast en steun’ te bieden en zo ook het woningtekort aan te pakken. Hierin staat dan ook de wens om ‘een verbod in te stellen op het geven van voorrang bij de toewijzing van sociale huurwoningen aan statushouders’, en hen zo weer gelijk te stellen aan Nederlandse burgers. Mede hierdoor denken de coalitiepartijen, en dus ook Keijzer, de woningnood aan te kunnen pakken en diende de minister het wetsvoorstel met desbetreffend verbod in. Dat er nu gemeenten zijn die dit weigeren, viel te verwachten, maar is er met het negeren van dit verbod sprake van discriminatie?
Defenitie van de term
Discriminatie is, volgens het College voor de Rechten van de Mens, het ‘anders behandelen, achterstellen of uitsluiten op basis van persoonskenmerken’. Ook de Nederlandse Grondwet wijdt zich aan een definitie van discriminatie en artikel 1 stelt dan ook: ‘Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan’. Jurist en emeritus hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam Leonard Besselink, onder andere gespecialiseerd in het staatsrecht, voegt daaraan toe dat het bij discriminatie gaat ‘om het maken van ongerechtvaardigd onderscheid’.
Alhoewel het College voor de Rechten van de Mens dus stelt dat vrijwel elke achterstelling discriminatie omvat, geeft Besselink een andere visie. Zo beroept de jurist zich ook op weer andere wetgeving, ‘wetgeving die handvatten biedt in de juiste context’. En daar spreekt Besselink van belangrijke zaken, want bij de toewijzing van woningen, al dan niet sociale huur, wordt op grond van de wet onderscheid gemaakt tussen degenen met een ‘urgentie’ en degenen die geen urgentieverklaring hebben. Door deze regeling, per gemeente verschillend, krijgen bijvoorbeeld ernstige ziektegevallen, alleenstaande ouders (met kinderen) en dus ook statushouders eerder toegang tot een woning, aangezien zij in een ‘noodsituatie’ verkeren.
Hoge nood
In het geval van een noodsituatie mag er dus langs artikel 1 van de Grondwet heen bewogen worden. Hoogleraar Housing Systems aan de TU Delft Peter Boelhouwer, tevens gespecialiseerd in het volkshuisvestingsbeleid, geeft aan dat we in het geval van deze volkshuisvesting helemaal niet over discriminatie praten: ‘Het gaat hier om het erkennen van urgentie’. Boelhouwer wijst ook op de geschiedenis van het verlenen van voorrang, ‘we hebben dit vrijwel altijd al gedaan’. De hoogleraar ondersteunt zijn argument, voorrang verlenen betreft urgente gevallen en is enkel logisch, met cijfers: ‘Ongeveer 20 tot 30 procent van de woningen wordt toegewezen aan urgente gevallen en zo’n 7 procent van die gevallen zijn statushouders’. In feite valt de hoeveelheid statushouders die voorrang krijgt dus ook wel mee, en met een verbod, zo stelt Boelhouwer, ‘is helemaal niet alles opgelost. De wachtenden zullen dan bijvoorbeeld zeven in plaats van acht jaar moeten wachten en dan laten we statushouders nog altijd in noodsituaties verkeren.
Conclusie
Het voorrang verlenen van bepaalde, kwetsbare groepen of ‘gevallen’ is als het aankomt op huisvesting geen discriminatie. De claim van René Dercksen klopt dus niet. Door middel van wetgeving is een voorrangsregeling omtrent ‘urgentie’ leidend en niet de definitie van een ongelijke behandeling als discriminatie.