bewering
Mensen die in steden wonen hebben meer kans op het ontwikkelen van allergieën.
Oordeel
Gedeeltelijk waar
Bron van de bewering
In het tijdschrift self, beweerd Purvi Parikh, M.D., een allergoloog/immunoloog dat mensen die in steden wonen meer kans hebben op het ontwikkelen van allergieën. De Libelle heeft deze uitspraak daarna overgenomen. Parikh legt uit dat stadsbewoners dichter bij snelwegen wonen en dat de luchtkwaliteit hun longen en neus gevoeliger maakt. Dit zou leiden tot een hogere incidentie van allergieën en astma in stedelijke gebieden in vergelijking met het platteland.
Ze verwijst hier naar een onderzoek gedaan door het Asthma and allergy foundation of america, waarin steden gerangschikt worden op basis van hun leefbaarheid voor mensen met allergieën. De slechtste steden staan bovenaan deze lijst. Parikh was niet te bereiken om wederhoor te geven over de claim.
Onderzoeken
Een onderzoek van het CBS toont aan dat het aantal allergiëen onder Nederlanders is toegenomen. Dit onderzoek toont een verband met stedelijke omgevingen: in zeer stedelijke omgevingen heeft 24 procent van de inwoners een allergie, terwijl dit percentage bij inwoners van het platteland (niet-stedelijke gemeenten op 17 procent ligt. Bij zeer stedelijke gebieden spreken we van 1500 tot 2500 adressen per km², terwijl niet-stedelijke gemeenten minder dan 500 adressen per km² tellen.
Ulrike Gehring, universitair hoofddocent en onderzoeker bij het Institute for Risk Assessment Sciences (IRAS) zegt hierover: “Luchtvervuiling is wel een belangrijke risicofactor voor de gezondheid, maar de link met allergieën is niet heel duidelijk. Er zijn verschillende studies naar gedaan, maar die hebben dit niet overtuigend kunnen aantonen. Voor astma ligt dat anders; wonen bij een drukke weg en blootstelling aan fijnstof vormen een bewezen risicofactor. Hoewel astma en allergieën soms overlappen en sommige mensen beide hebben, betekent dit niet dat alle astmatici ook allergisch zijn en dat de relaties met luchtverontreiniging hetzelfde zijn voor astma en allergie.
Verder toont deze studie van Rijksuniversiteit Groningen aan dat volwassenen die zijn opgegroeid in een stedelijke omgeving, een hoger risico op voedselallergieën hebben. Dit suggereert dat de omgeving waarin een kind opgroeit een rol speelt in de ontwikkeling van voedselallergieën. Het is echter belangrijk op te merken dat de studie een verband aantoont, maar niet bevestigt dat de stedelijke omgeving direct leidt tot voedselallergieën.
In dit onderzoek van het Rivm wordt verwezen naar een PARSIFAL-studie. Deze onderzocht waarom sommige kinderen minder vaak allergieën en astma ontwikkelen. Deze epidemiologische studie, uitgevoerd in vijf Europese landen onder 15.000 kinderen uit boerenfamilies en gezinnen met een antroposofische leefstijl, toont aan dat boerenkinderen 50% minder kans hebben op allergieën dan kinderen die op het platteland wonen, maar niet op een boerderij. Dit kan te maken hebben met meer contact met vee, blootstelling aan bacteriën en schimmels, en het drinken van ongepasteuriseerde melk.
Gehring vertelt: “Een van de redenen waarom we denken dat mensen die buiten de stad wonen mogelijk een lager risico op allergieën hebben, is hun blootstelling aan micro-organismen. Dit kan komen door contact met bacteriën en toxinen, evenals de aanwezigheid van dieren en stof in stallen, die het immuunsysteem stimuleren en mogelijk beschermen tegen allergieën.’’
‘’Daarnaast wijzen Duitse studies op een verband tussen het drinken van rauwe melk en een lager risico op allergieën. Voeding speelt hierin een rol, maar ook andere factoren binnen het huishouden kunnen verschillen tussen stad en platteland, waardoor er niet één specifieke risicofactor aan te wijzen is. Als we het over luchtvervuiling hebben, zien we dat stedelijke gebieden, met hun drukke verkeer, meer vervuiling kennen. Tegelijkertijd tonen onderzoeken aan dat regio’s met intensieve veehouderij, zoals in Brabant, ook veel fijnstof bevatten. Toch lijken mensen die dichter bij boerderijen of veehouderijen wonen minder allergieën te hebben, wat suggereert dat meerdere omgevingsfactoren een rol spelen.”
Conclusie
De bewering dat mensen in steden meer kans hebben op het ontwikkelen van allergieën is gedeeltelijk waar. Onderzoek toont aan dat allergieën vaker voorkomen in stedelijke gebieden dan op het platteland, en dit kan deels te maken hebben met luchtvervuiling, die schadelijk is voor de luchtwegen. Hoewel er geen definitief bewijs is dat luchtvervuiling direct allergieën veroorzaakt, is de link met astma wel aangetoond.
Daarnaast spelen andere factoren, zoals de hygiënehypothese, die stelt dat minder blootstelling aan micro-organismen het immuunsysteem gevoeliger maakt voor allergieën, een rol. Kinderen die op boerderijen opgroeien, ontwikkelen minder vaak allergieën, waarschijnlijk door hun contact met dieren, bacteriën en het drinken van ongepasteuriseerde melk. Dit suggereert dat zowel de stedelijke omgeving als leefgewoonten en blootstelling aan verschillende omgevingsfactoren invloed hebben op het risico op allergieën.