Leidsche Rijn -Al twintig jaar organiseert Nasrullah Yari wekelijks een praatgroep voor Afghaanse mannen in buurthuis Ter Weide in Utrecht Leidsche Rijn. Bij een gewone sessie deze week brengt hij het jubileum zelf ter sprake en dat opent een gesprek over wat er in twee decennia is veranderd. ‘Vroeger wilden mensen ons helpen. Nu hoor je steeds vaker het tegenovergestelde.’
Op tafel staat een schaal met baklava en koekjes, naast een dampende pot thee. Nasrullah Yari schenkt in voor de mannen die één voor één binnenkomen, handen worden geschud, er wordt gelachen. De ruimte in buurthuis Ter Weide vult zich langzaam. Vandaag zijn er zo’n tien buurtbewoners aanwezig. Yari kijkt de zaal rond en zegt, bijna terloops: ‘Weet je dat ik dit al twintig jaar doe?’ De mannen om hem heen knikken. Sommigen zijn er al net zo lang bij.
Yari richtte de groep ooit op omdat hij behoefte voelde aan een plek om samen te komen in de wijk. Niet voor hulpverlening, niet voor inburgering maar gewoon om mens te zijn. ‘Afghanen eten altijd iets zoets bij de thee,’ legt hij uit terwijl hij een koekje aanreikt. ‘Dat hoort erbij.’
Normaal gesproken verloopt alles in het Dari of Pashto, maar vandaag wordt er Nederlands gesproken. De gesprekken gaan alle kanten op werk, gezin, kinderen maar het jubileum brengt ook herinneringen boven. Aan de eerste jaren in Nederland. Aan hoe anders alles toen was.
Een gevaarlijke reis
Yari vertelt openhartig over zijn eigen komst naar Nederland. Na zijn opleiding stond hij voor een keuze: het leger in of vluchten. De Sovjet-Unie had Afghanistan bezet en hij weigerde voor de Russen te vechten. Via een neef, een van de eersten uit zijn omgeving die naar Nederland was gevlucht, hoorde hij over een mogelijke route. Die begon met een gevaarlijke tocht door de bergen naar Pakistan. Van daaruit kon hij verder reizen naar Nederland.
‘Mensen hier dachten vroeger dat Afghanen geen telefoon hadden,’ zegt Yari met een brede glimlach. ‘Maar in Afghanistan wonen ook hoogopgeleide mensen die echt iets kunnen en het verschil willen maken. Dat vergeten mensen weleens.’
Stampot en schuldgevoel
Ahmad Rahimi vertelt over zijn eerste tijd in Nederland. Hij werd vriendelijk ontvangen, maar moest wel wennen aan de Nederlandse cultuur. In het asielzoekerscentrum kreeg hij voor het eerst stamppot met een gehaktbal voorgeschoteld. Dat vond hij zo lekker dat hij nog een tweede wilde pakken. Andere bewoners wezen hem er toen op dat iedereen maar één gehaktbal mocht nemen.
Rahimi voelde zich zo schuldig dat hij de volgende dag tien extra gehaktballen kocht en die naar het centrum bracht als verontschuldiging. De mannen om hem heen schieten in de lach als hij het verhaal vertelt. Rahimi lacht mee, maar zijn ogen staan ook ernstig. ‘Ik wilde het goedmaken. Zo zijn we opgevoed.’
Terug naar familie
Abdullah Mossawari gaat nog elk jaar terug naar Afghanistan om zijn familie te bezoeken. Niet iedereen in de groep doet dat. Sommigen durven niet, anderen kunnen het financieel niet opbrengen. De situatie in het land, na de terugkeer van de Taliban in 2021, maakt het er niet eenvoudiger op. De mannen praten er zorgelijk over: familieleden die in onzekerheid leven, vrouwen en meisjes die geen toegang meer hebben tot onderwijs. ‘Je kunt er niet omheen,’ zegt Mossawari. ‘Het nieuws bereikt je altijd, ook als je hier zit.’
‘De stemming is veranderd’
Na een ruim half uur verschuift het gesprek richting de Nederlandse politiek. De mannen zijn het erover eens: de sfeer is anders dan toen zij aankwamen, twintig of dertig jaar geleden. Destijds werden ze verwelkomd, geholpen, soms letterlijk in huis genomen door buurtbewoners.
‘Wij werden met open armen ontvangen,’ zegt Yari. ‘Super gastvrij. Dat is nu anders.’
De mannen zien hoe partijen die kritisch staan tegenover vluchtelingen en migranten groter worden bij verkiezingen. De polarisatie groeit, en dat merken ze in de buurt, op het werk, in gesprekken met mensen die ze al jaren kennen.
Toch blijven ze komen, elke week opnieuw, naar deze zaal met spelletjes, thee en zoete lekkernijen. Yari schenkt nog een kop thee in. Buiten klinkt het geluid van de wijk. Twintig jaar geleden begon hij hier en hij is niet van plan te stoppen.