Voor een paar seconden is de kleine alk zijn wereld

Voor een paar seconden is de kleine alk zijn wereld

Geert Hooijmeijer (21) observeert de zeevogels bij Katwijk. Foto: Evi Roodbeen

Geert Hooijmeijer (21) voelt de bas van ADE nog in zijn borstkas, terwijl hij gehurkt achter zijn telescoop de golven bij Katwijk aftast. Voor anderen is het nog ochtend, voor hem als vogelaar is elke beweging op zee een kans op iets zeldzaams.

Overdag is het hier stil.
De oude suikerfabriek in Halfweg, vlak naast Amsterdam, staat los van de stad.

Een enorme ruimte van staal en beton, waar geen licht binnenkomt. Maar nu is alles anders. Grote metalen pilaren snijden de hal in stukken, ledverlichting draait in cirkels door de ruimte, kleuren schieten langs wanden en lichamen alsof ze nergens willen blijven hangen.

Geert Hooijmeijer staat midden in de menigte.

Het is druk, beklemmend bijna, de warmte kruipt tussen de mensen door als een plakkerige mist. De vloer weerkaatst het geluid van de boxen, het zet zich vast in zijn borstkas, in zijn benen. Door zijn hele lichaam trilt de bas.

House-DJ Chris Stussy draait van elf tot zeven, al is het voor Geert onmogelijk om te zeggen waar de muziek begint en eindigt. Het is niet zijn eerste keer bij Amsterdam Dance Event (ADE). En hij weet dat hij nog lang niet naar huis gaat.

Een bericht dat alles in beweging zet

“Hier gaan we heen,” zegt Geert standvastig, terwijl hij in Utrecht de voordeur van zijn witte Volkswagen Up dichttrekt.

Het is elf uur ’s ochtends en er staat een stevige noordwestenwind – perfect voor het spotten van zeevogels in het najaar. Voor Geert is het laat; meestal heeft hij dan al uren buitengestaan, ergens bij een plas of langs een polder, met de verrekijker om zijn nek en de kou in zijn handen.

Hij leunt achterover in de stoel en opent Trektellen.nl op zijn telefoon. Met een gefocuste blik volgt hij de lijst, scrolt snel langs alle meldingen, en dan blijft hij hangen: Katwijk, zojuist vijf kleine alken gespot. Zijn handen klappen instinctief in elkaar, alsof hij de wind van de melding wil vangen. “Let’s go!” roept hij enthousiast, terwijl de motor aanslaat en de straat langzaam onder hem vandaan glijdt.

Kleine alken zijn arctische zeevogels die normaal ver op zee blijven. Het is een vogel die je niet elke dag ziet, een zeldzame soort dus, en alleen dat maakt het genoeg om meteen in beweging te komen.

Zijn telefoon trilt.

Daniël belt. Een vriend van de middelbare school, mede-vogelaar, en iemand met wie Geert ook graag naar festivals gaat. Vroeger waren het tentfeesten tot in de vroege uren, om twee uur later ineens langs de polder te staan, achter een melding van een zeldzame vogel aan. Dankzij Daniël heeft Geert het vogelen sinds de vierde klas weer opgepakt.

Hij zet de luidspreker aan.

“Jo gast,” klinkt Daniëls stem, licht krakerig door de verbinding. “Hoe kickt hij in na zaterdag?”

Geert glimlacht bij de vraag, één hand aan het stuur. “Eigenlijk wel prima,” zegt hij. “Chris Stussy was goed.”

De auto raast over de snelweg, nog een half uur te gaan. Hij vertelt Daniël over zijn missie in Katwijk. “Je gaat wat missen vriend,” grapt hij met een lichte grijns op zijn mond.

Daniël lacht mee en reageert enthousiast. “Ik hoop dat je die kleine alk gaat pakken man!”

Kijken, zwijgen

Aan de kust wacht de stilte van de zee. De uitgestrekte zandvlakte vouwt open onder de schaapjeswolken. Een paar toegewijde wandelaars en hun viervoeters verdwijnen langzaam in de verte.

Er staan al drie vogelaars bij de telpost in de duinen, ter hoogte van Boulevard één. Een oudere man, een jongen van een jaar of zestien en een oudere vrouw. Ze staan stil, schouders opgetrokken tegen de wind, volledig uitgerust in winddichte jassen, stevige schoenen en telescopen op statieven. Alsof ze hier al uren staan.

“Dat is René van Rossum,” zegt Geert zachtjes, wijzend naar de oudere man. “Hij heeft veel vogels op zijn naam staan.” René kijkt onafgebroken uit over zee, gebogen over een telescoop die meer weg heeft van een instrument dan van een gebruiksvoorwerp.

Geert leunt tegen het verroeste windscherm van de telpost en zet zijn telescoop neer.  Hij klemt zijn handen er stevig omheen, alsof hij elk moment moet kunnen reageren. Op het bord naast hem staan de vogels afgebeeld die hier langs kunnen komen.

“Geen jagers?” vraagt hij.

“Nee,” roept René zonder om te kijken. “De meeste zijn alweer doorgevlogen.” De woorden vallen neer en daarna is het weer stil.

“En de kleine alk?” Geerts stem verraad verwachting.

Er volgt een korte pauze. Dan schudden de anderen hun hoofd.

Geerts ogen glijden over de golven. Wachten is onderdeel van het spel, weet hij inmiddels. Hij kent bijna elke vogel die in Nederland voorkomt, weet wanneer ze trekken en waar je moet zijn, en toch voelt geen enkele dag hetzelfde.

“Je weet gewoon niet wat er voorbijkomt vliegen,” fluistert hij. “Het onvoorspelbare…dat maakt het zo leuk.”

Vaak staat Geert er niet alleen. Samen met een groep jonge vogelaars, sommige fanatieker dan hij, trekt hij van het ene gebied naar het andere. Vorig jaar Marokko, dit jaar Kenia. Maar bovenal keren ze steeds terug naar Texel, de plek waar het voor Geert allemaal begon.

Vijfentwintig vogels

De zomerzon brandt door het autoraam en weerkaatst in de glazen van zijn bril. Geert is twaalf en zit klem tegen de deur gedrukt, naast zijn neefje Pleun, terwijl de auto het eiland op rijdt. Dit is het jaar dat ze met de familie naar Texel gaan.

De dagen lijken hier eindeloos lang. Er zijn nauwelijks kinderen van zijn leeftijd en niets lijkt echt te gebeuren. Wanneer zijn vader uitstapt om een parkeerkaart te halen, springen de jongens naar buiten. Ze vinden een zoekkaart: vijfentwintig vogelsoorten, keurig getekend, te zien over het hele eiland. Pleun kent dit, hij heeft vaker vogels gezocht.

“We kunnen ze allemaal vinden,” roept hij enthousiast.

Geert haalt zijn schouders op en knikt. Wat anders?

Even later hangt de verrekijker van zijn vader als een zware ketting om zijn nek en fietsen ze het eiland over. Wat begon uit verveling, krijgt al snel iets fanatieks. Elke vogel telt. Het zoeken voelt als een wedstrijd.

Maanden later is Geert opnieuw met Pleun op pad wanneer zijn Nokia trilt in zijn zak. Zijn moeder belt.

“Je oom en tante gaan naar Gelderland voor een zeldzame vogel. Ga je mee?”

Verwachtingsvol en lichtelijk gespannen rijden ze richting de Batenburgse velden. En daar ziet hij hem: de zeer zeldzame Steppevorkstaatplevier. Een vogel die ‘s zomers thuishoort in Kazachstan, zo’n 4.000 kilometer oostwaarts, en die normaal hoort te overwinteren in Zuid-Afrika. Sinds 1985 niet meer gezien in Gelderland.

Terwijl hij met verwondering kijkt, voelt Geert adrenaline door zijn lijf stromen, alsof het hem ineens groter maakt dan dat hij is. Dit gevoel wil hij najagen.

Tussen de golven

De branding gonst van meeuwen. Een witte gloed overspoelt de kust, hun hoeveelheid doet bijna duizelen. Maar de kleine alk is nergens te zien.

De ochtend verstrijkt en de wind snijdt scherp door Geerts jas. Hij zit al uren gehurkt bij de telpost, zijn rechteroog tegen het glas van de telescoop en vingers gespannen op het statief. Om hem heen heerst dezelfde concentratie, de stilte gevuld met het zachte geruis van de zee en het krassende geroep van de meeuwen. Af en toe wordt er wat gezegd.

“Over de branding jongens, een bonte strandloper,” meldt René.

Een andere vogelaar vertelt met trots hoe ze zojuist een veldleeuwerik heeft gespot. Geert lacht een beetje.

Dan ineens wordt er geroepen.

“Ik zie hem!” Renés stem is scherp, onmiskenbaar.

“Ja, ja, ik ook!” schreeuwt een ander.

Geert schiet met open ogen omhoog. “Wat? Waar?” Zijn handen bewegen snel, de telescoop schiet naar links.

En daar vliegt hij. Laag boven het water, precies tussen de golven door. Met snelle, zoemende vleugelslagen raast de kleine alk voorbij. Geert volgt hem en hij voelt de adrenaline door zijn armen trekken. Hij houdt zijn adem in en probeert het dier te vangen door zijn telescoop. Vluchtig pakt hij zijn camera, en na een aantal kliks is de vogel al uit zijn zicht.

Voor een paar seconden is de kleine alk zijn wereld.

De stilte na de storm

Later, wanneer de zee weer gewoon zee is en de meeuwen hun rumoer hervatten, staat Geert nog even stil bij de telpost. De adrenaline is weggezakt; het is inmiddels een bekend gevoel. Niet zo anders dan daar, tussen staal en beton in Halfweg, waar de bas zich vastzet in zijn borst. Op beide plekken speelt de tijd geen rol. Alleen is hier geen muziek die hem draagt, maar voor Geert maakt dat weinig verschil.

Hij veegt met zijn duim wat zout van het glas, schuift het statief in elkaar en hangt de camera om zijn nek.

 Pas als Geert zijn handen weer vrij heeft, voelt hij hoe koud ze eigenlijk zijn.

Over de auteur

Evi Roodbeen

Evi Roodbeen (2005) is beginnend journalist en studeert aan de School voor Journalistiek. Haar streven als journalist is om nieuws toegankelijk en boeiend te maken voor iedereen. Ze heeft gevoel voor storytelling en houdt ervan om kijkers en luisteraars mee te nemen in een onderwerp. Contact opnemen kan via: evi.roodbeen@student.hu.nl