Oorlog in de Spaarnestraat

Oorlog in de Spaarnestraat

De familie Kooistra met de onderduikers, vlak na de bevrijding voor het huis aan de Spaarnestraat. Rietje zit rechts op schoot.

Het is in de zomer, in 1943, als er bij de Spaarnestraat 163 hard op de deur wordt gebonsd. Het is in de middag en de zon staat nog hoog aan de hemel. Rietje ligt op dat moment te dutten in de voorkamer van het huis. Nietsvermoedend droomt ze daar van de dingen waar een klein meisje graag over droomt. Kleren voor haar poppen, die ze zelf met een klein schaartje op maat maakt uit stukken stof in de mooiste kleuren. Een prachtig spreitje, dat ze in een klein poppenwagentje kan leggen. Later in de middag, wanneer de zon langzaam richting de horizon kruipt, ontwaakt Rietje, nietsvermoedend. Pas jaren na de oorlog leert ze dat haar familie, inclusief acht onderduikers, die middag door het oog van de naald is gekropen.

Utrecht gaat op dat moment, net als de rest van Nederland, gebukt onder de Duitse bezettingsmacht. De LO, de Landelijke Organisatie voor Hulp aan Onderduikers, bestaat een klein jaar. Wanneer de leider van de LO Utrecht wordt opgepakt, neemt verzetsman Henk Das zijn rol over als provinciaal leider. De LO regelt onderduikadressen, brengt guldens rond, vervalst papieren en zorgt voor voedselbonnen voor gezinnen met onderduikers. Henk Das speelt hierin een cruciale rol en moet constant over zijn schouder kijken: verraad is binnen het verzet altijd dichtbij.

Meerdere keren duikt hij noodgedwongen onder: in Den Haag, Drachten, Maarn. Vanuit deze adressen geeft hij leiding aan de Utrechtse tak van Nederlands grootste verzetsbeweging. Tegen het einde van de oorlog wordt de LO verraden door zijn goede vriend Teus van Vliet. Onder andere de bankier van het verzet, Walraven van Hall, wordt opgepakt en gefusilleerd. Het geld en de voedselbonnen die de familie van Rietje gebruiken om de onderduikers in hun levensonderhoud te voorzien, hebben ze te danken aan Henk Das en duizenden andere verzetsstrijders die in Nederland tijdens de oorlog hun leven hebben gewaagd, en gegeven, voor een ander. De verzetsstrijders die de oorlog overleven, zijn vaak voor het leven getekend.

Toen Rietje nog een peutertje was en niet kon praten, spendeerde ze hele dagen bij de lieve ooms en tantes die in het huis aan de Spaarnestraat in het achterkamertje verbleven. Daar werd ze opgetild, op schoot gezet, geknuffeld en gekroeld. Aan liefde had de kleine Rietje geen gebrek. Haar ooms en tantes waren de meest kunstzinnige mensen en terwijl Rietje, met de nieuwsgierigheid waarover alleen een klein kind kan beschikken, verwonderd om zich heen keek, vertelden en schreven haar ooms en tantes verhalen, maakten ze de mooiste prenten en vervaardigden ze de fraaiste kledingstukken. Lachend zat Rietje op schoot terwijl oom David een klein portretje van haar schetste. Een verjaardagskadootje. Het achterkamertje was voor Rietje in het begin van de oorlog een fijne, warme plek.

Enthousiast vertelde Rietje op een dag aan haar zussen over de mensen in het achterkamertje. “Er wonen daar allemaal lieve ooms en tantes.” Ze was nog maar net begonnen met praten en wilde maar al te graag vertellen over de liefde die ze in die ruimte kreeg. Haar zussen begrepen, tot haar teleurstelling, niet waar Rietje het over had. Hierna zou het nog een hele tijd duren voordat de Rietje de ooms en tantes weer zou zien.

Met haar kleine handjes bonkend op de deur naar het achterkamertje stond Rietje vervolgens in de gang. Achter de deur bleef het angstvallig stil. Ze had gezworen dat ze zojuist nog geluiden had gehoord. Waren de lieve ooms en tantes maar een droom geweest?

Haar moeder, die bezig was geweest met het eten, tilde Rietje op en nam haar mee naar een ledikantje in de woonkamer, aan de voorzijde van het huis. Daar vertelde ze Rietje dat het geluid afkomstig was van haar vader. Hij zou daar druk aan het werk zijn geweest. Nadat ook haar oudere zussen argwaan hadden gekregen over de geluiden die ze hadden gehoord, namen haar ouders het drietal op een dag mee naar de achterkamer. Verspreid over de tafel lagen spullen van haar vader, van de lieve ooms en tantes was geen spoor te bekennen. Rietje begreep er niks van.

Voortaan lag Rietje overdag in het kleine houten ledikantje aan de voorzijde van het huis. De deur had haar moeder met een haakje op slot gedaan. Voor haar kinderlijke nieuwsgierigheid was geen plaats meer. In het ledikantje zocht ze haar toevlucht in haar fantasie en droomde ze weg bij gedachten over het kleine, gouden schaartje, waarmee ze de prachtigste kleren zou maken voor haar poppen. Kleren van wol, zijde en katoen in de mooiste kleuren. Toen haar moeder haar die dag kwam halen voor het avondeten, vertelde Rietje haar enthousiast over het schaartje en haar droom.

Rietje wordt de volgende ochtend wakker als de ochtendzon zachtjes door de gordijnen schijnt. Ze knippert met haar ogen. Een glinstering op haar nachtkastje trekt haar aandacht. Op het marmeren blad ligt een gouden schaartje. Ligt ze nog te dromen? Ze wrijft in haar ogen en verwacht, als haar ogen weer open gaan, het nachtkastje leeg aan te treffen. Nee, het schaartje ligt er nog. Ze laat haar vingers langzaam over het voorwerp glijden. Een klein schaartje, ook al is het van goudpapier. Rietjes droom is uitgekomen, ze voelt zich dolgelukkig.

Wat zich de voorgaande dag in het huis aan de Spaarnestraat heeft afgespeeld, leert Rietje gaandeweg als ze ouder wordt. Het verhaal van acht onderduikers die de oorlog dankzij haar ouders in de achterkamer van het huis op de Spaarnestraat hebben overleefd.

Het is 1941 wanneer de Joodse raad een beroep doet op de vader van Rietje, Wopke Kooistra. Er zijn dringend onderduikadressen nodig voor de Joodse gezinnen in Utrecht. Wopke is op dat moment actief bij de ordedienst en maakt deel uit van de gereformeerde gemeenschap in de stad.

Wopke haast zich over straat. Hoewel hij tot middernacht buiten mag zijn, geldt voor Joden een spertijd vanaf acht uur in de avond. Hij hoopt vurig dat ze op de afgesproken tijd klaar staan. Buiten de stad wacht een onderduikadres voor het jonge gezin.

Aangekomen bij het juiste adres klopt Wopke op de deur. Wanneer de deur wordt geopend, ziet hij de kinderen al in de gang staan. Hij haalt opgelucht adem. Aan niks is af te zien dat deze mensen op het punt staan om huis en haard te verlaten omdat ze hier, in Utrecht, hun leven niet zeker zijn. De gele jodensterren hebben ze van hun kleding verwijderd. De moeder draagt een handtas, de vader een klein koffertje. Wopke vraagt zich af wat ze in hebben gepakt. Ongetwijfeld zullen het hun dierbaarste bezittingen zijn. Erfstukken en sieraden, foto’s van dierbaren, belangrijke documenten. Hun persoonsbewijzen met daarin in zwarte inkt een grote ‘J’ gestempeld, zullen ze hebben achtergelaten.

Menig keer kwam Wopke in zijn verzetswerk mensen tegen die het verleden niet los hebben willen of kunnen laten. Ze dachten dat het gevaar wel over zou waaien en wilden hun huis niet verlaten.

Een paar maanden later wordt duidelijk dat Nederlanders die Joden helpen, zelf ook zullen worden gedeporteerd. Wopke en zijn vrouw, Heiltje, besluiten om zelf onderduikers in huis te nemen. Ze willen anderen niet vragen om hun leven op het spel te zetten zonder dat zelf ook te doen. Deze beslissing zal het leven van het gezin en acht wildvreemden voorgoed veranderen.

Met de eerste onderduiker, Michel Pam, graaft Wopke de kruipruimte van het huis uit als schuilplek. ‘s Avonds, vlak voor spertijd, loopt Wopke met emmers zand door de straten die zijn huis verbinden met het Merwedekanaal. Het is donker op straat. Hij stapt resoluut door, wetende dat er in de wijk een aantal NSB’ers woont. Aangekomen bij het kanaal leegt hij heimelijk de emmers. Hij kijkt naar hoe het zand onder het wateroppervlak verdwijnt, staat een moment stil. Dan haast hij zich terug naar huis. Hij zal dit stuk nog vaak af moeten leggen voordat de schuilplek klaar is voor gebruik. Hoewel de wandeling naar het kanaal slechts twee straatlengtes betreft, voelt het veel langer.

Op een dag wordt Wopke gewaarschuwd. Een buurman, actief bij de NSB, was ter ore gekomen dat de Duitsers die middag langs zullen komen, op zoek naar Nederlandse mannen voor de Arbeitseinsatz in Duitsland. De buurman weet niet dat er zich in huis van Wopke ook Joden bevinden. Wopke haast zich naar huis, naar de muur van de achterkamer waar hij met zijn vuist een ritme op roffelt: klop, klop, klop. Een signaal, van tevoren afgesproken met de onderduikers. Slechts een paar minuten later hebben ze hun sporen uitgewist en bevinden ze zich allemaal in de schuilkelder.

Zelf gaat Wopke ook, als laatste, naar de kleine ruimte onder de grond. Als Nederlandse man kan hij immers opgepakt worden om in Duitsland in een fabriek te werk te worden gezet. Boven zijn hoofd sluit Heiltje het luik. Het is pikkedonker. Hij hoort het geluid van de drempel van de achterkamer die weer op zijn plek wordt gelegd en het getik van een hamer. Ook dit hebben ze geoefend. Mocht een Duitse soldaat met zijn zware laarzen tegen de drempel aanstoten, blijft deze op zijn plek liggen.

Negen mannen en vrouwen, zij-aan-zij, opgefrommeld in de benauwende schuilplek, de knieën opgetrokken tot aan de nek. Het is muisstil. De ijzige stilte wordt doorbroken door zware laarzen die langzaam, vlak boven hun hoofden, de gang door lopen. Een wapen tikt daarbij, pok pok pok, op de vloer.

Een enkel geluid en de soldaten zouden de schuilplaats ontdekken. Dan word je op de trein gezet en kom je niet meer terug, zoveel is voor de Joden in Nederland inmiddels wel duidelijk. Nederlanders die worden ontdekt bij het helpen van Joden kunnen van de Duitsers rekenen op dezelfde behandeling. De familie Kooistra zou dan, samen met de onderduikers, worden afgevoerd. Wopke ziet een van de onderduikers nerveus met de vingers bewegen, hoort de ademhaling sneller en oppervlakkiger worden. Muisstil proberen de andere onderduikers de rust te bewaren. Wopke sluit zijn ogen en luistert naar het kloppen van zijn hart.

Terwijl de Duitse soldaten op nog geen paar centimeter afstand boven de hoofden van de onderduikers en haar vader lopen, voert moeder Heiltje met de kinderen een toneelstukje op in de voorkamer. De ramen zet ze wagenwijd open: ze hebben niks te verbergen. Rietje ligt in de box terwijl haar moeder schoonmaakt en haar zussen aan het spelen zijn. Ze moeten lief doen tegen de Duitse soldaten, was ze van tevoren verteld. Wanneer een Duitse soldaat binnenkomt om Heiltje en haar twee oudste dochters te ondervragen, klimt Rietjes oudste zus achter het orgel. Rietje weet niet wat er op dat moment op het spel staat, is te jong om zich zoiets te kunnen realiseren. Drie jaar lang is niemand in het huis op de Spaarnestraat zijn of haar leven zeker geweest.

Rietje De Haan-Kooistra woont nog altijd aan de Spaarnestraat, naast het huis waar ze tijdens de oorlog is opgegroeid. Ze zet zich nog steeds in om de nagedachtenis aan de oorlog in leven te houden, met onder andere gastlessen op scholen en lezingen tijdens herdenkingen.

Wopke Kooistra is in 1973 door het Yad Vashem geëerd als een van de Rechtvaardigen onder de Volkeren. In 1984 is hij, op 76-jarige leeftijd, overleden.

Heiltje Kooistra (Bos) is in 1973 door het Yad Vashem geëerd als een van de Rechtvaardigen onder de Volkeren. In 2000 is zij, op 84-jarige leeftijd, overleden.

Hoewel Henk Das onderscheidingen pertinent weigerde omdat hij vond dat verzetsstrijders niet handelden uit een zucht naar erkenning, kon hij de onderscheidingen van Eisenhower en Montgomery die hij in de post kreeg niet weigeren. Hij overleed in 2008 op 96-jarige leeftijd.

Bob, David en Menucha Cohen Paraira, Klara, Lien en Samuel Gans, Ellis Elisheva Lehman en Michel Pam hebben allen, dankzij het moedige verzetswerk van Wopke en Heiltje, de oorlog overleefd.

Over de auteur

Paul Edelman

Paul (2000) woont in Utrecht. Voordat hij journalistiek is gaan studeren heeft hij een aantal jaar Filosofie aan de Universiteit Utrecht gestudeerd. Hij bevraagt graag het leven en staat kritisch tegenover de wereld zoals die aan ons voorkomt.