Het is 5 september, 19:00 uur. De zon is al onder en ik probeer te genieten van de stroom zolang die er nog is. Ik heb dit al eens eerder meegemaakt; orkanen zijn op onze eilanden niets nieuws.
Wie het nieuws volgde, wist al wat ons te wachten stond. Ik ben met mijn dochter en zoon in South Reward; we timmeren de ramen en deuren dicht en ik zorg dat we genoeg te eten en te drinken hebben. Ook leggen we genoeg brandstof aan, zodat we na het passeren van de orkaan gebruik kunnen maken van de generator van onze buurman, meneer Marlin. Mijn man is er nog niet, vanwege zijn werk als eilandsecretaris op Sint-Eustatius, dus deze taken vallen voor nu op mij. En dan: wachten. De afgelopen dagen volgden we het pad van de orkaan en zetten we ons schrap.
Ik ben gewend dat orkanen die boven de Atlantische Oceaan sterk ogen, vaak alweer verzwakt zijn tegen de tijd dat ze over ons heen razen. Toen ik voor het eerst hoorde dat Irma ons zou raken, dacht ik dat het zo’n geval zou zijn. Maar deze keer was het anders: Irma werd met de dag sterker.
Ik heb wel een idee van wat ik kan verwachten. In de jaren negentig zag ik beelden van hoe Luis, een van de zwaarste orkanen van de afgelopen dertig jaar, het eiland verwoestte. Dit zou zo’n geval worden. Misschien erger. De voorspelling was dat Irma tot een categorie 5-orkaan zou uitgroeien tegen de tijd dat ze Sint-Maarten zou treffen, en die voorspelling lijkt te kloppen. Ik weet niet goed wat ik moet doen, behalve me schrap zetten.
Ik voel geen anticipatie, spanning, of angst. Deels omdat ik weet dat ik goed zit.
Het is inmiddels 23:00 uur. De lucht is donker omdat het nacht is, maar waar ik op zo’n avond gewend was de sterren te zien, zie ik nu alleen duistere wolken. Wolken zo donker en zo dik dat ik inmiddels wel geloof dat dit heftig gaat worden. Het eerste wat je tijdens een orkaan opvalt, is hoe de wind ineens zo anders klinkt. Het hele jaar door is de wind rustig en rustgevend, met hier en daar een vlaag. Dat klonk mij vaak als muziek in de oren, doorgaans als een natuurlijke symfonie waarop alle bomen, beesten en mensen meedansten. De wind nam alle geluiden met zich mee en vervormde ze zo dat het prettig klonk, alsof hij doelbewust de hele omgeving in harmonie wilde brengen.
Alleen stond deze symfonie nu op het punt over te slaan in een black-metalconcert. De wind danste niet meer tussen de bomen, maar raasde er dwars doorheen. Ik hoor steeds meer gegalm van de heftige vlagen die over de heuvels en tussen de huizen door jagen. De wind die normaal aanvoelt en klinkt als een moeder die een wimper van je gezicht blaast, klinkt nu als het gekreun en gegil van een vrouw die zojuist weduwe is geworden.
Hierdoor kan ik niet in slaap vallen. Het waait hard en steeds harder. De lampen knipperen en ik verwacht dat de stroom elk moment kan uitvallen. Toch blijf ik in bed liggen.
Het is inmiddels 7:00 uur. Verbazingwekkend genoeg is het me toch gelukt in slaap te vallen, maar ik word wakker van het gerammel van het huis. Ook al zijn alle ramen en deuren dichtgetimmerd, toch komen er wat wind en regen binnen. De wind, die eerder huilde, huilt niet meer, maar klinkt als een diepgewortelde woede. Windstoten van 290 kilometer per uur razen over het eiland en ik durf niet meer naar buiten. Mijn oren beginnen op te spelen doordat de kracht van de wind een drukverschil in huis veroorzaakt. De wind, die voorheen altijd in vlagen kwam, is nu één grote, aanhoudende stoot die niet wil stoppen.
Ik luister verder en hoor dat niet alleen ons huis rammelt, maar ook dat van de buren, en dat van hún buren. Door de smalle kier in mijn raam hoor en zie ik bomen knappen en resten van huizen en afval razendsnel door de lucht vliegen. De heuvels die ik gewend ben om me heen te zien, zijn verdwenen. Ik zie alleen regen en planten die door de wind plat tegen de grond worden gedrukt.
Ik stap uit bed, recht in een plas water van zo’n twee centimeter. Daar raak ik toch lichtelijk van in paniek.
Zoals verwacht is de stroom uitgevallen; toen de hevige wind rond 4:00 uur opstak, ging dat vrij snel. Ons contact met de buitenwereld is voorlopig verbroken, maar ik probeer toch mijn familie te bereiken. In de woonkamer zit ik te lezen en probeer ik scherp in de gaten te houden wat er mogelijk mis kan gaan. Onze kat Paris vindt het verschrikkelijk en miauwt onophoudelijk. Het hele huis blijft rammelen, maar ik drijf op de stilte en de rust die we samen proberen te scheppen.
Het is vroeg in de ochtend, maar door de storm voelt het alsof het nog midden in de nacht is. Ik weet dat het oog na verloop van tijd over ons heen zal trekken. Dat gebeurt pas rond 8:30 uur. De razernij van de storm lijkt dan een halfuur tot een uur te luwen. Dat geeft ons even de tijd om te zien hoe groot de verwoesting werkelijk is. William Marlin, die onder ons woont, is druk in de weer met zijn taak als premier. Mensen lopen in en uit bij zijn huis; hij moet rapportages en updates over de situatie ontvangen en in de gaten houden hoe het met zijn generator gaat.
Het is 10:00 uur en het rammelt nog altijd. De hele woonkamer staat onder water en samen met mijn man en kinderen probeer ik het weg te krijgen. Als die klus geklaard is, blijven we met z’n allen in het appartement en wacht ik tot alles voorbij is.
De volgende dag is mijn man in gesprek met William Marlin, de man die op dat moment van alles op de hoogte is. “Totale verwoesting,” zegt hij. “Totale verwoesting, overal.” Dat is ook het moment waarop we naar buiten mogen. En het moment waarop ik die verwoesting met eigen ogen zie. Het leger waarschuwt ons niet te ver van huis te gaan; het lijkt wel een echte oorlogszone.
Auto’s lagen ondersteboven, bomen waren uit de grond gerukt. Afval, brokstukken van huizen en winkels en dode dieren liggen overal op straat. Een eiland dat gisteren nog begaanbaar was, is dat binnen een dag totaal niet meer. Je herkent bijna niets meer.
Ik maak me zorgen, want ik weet niet hoe het met ons huis in Dawn Beach is; we zijn er nog niet geweest. Ik maak me ook zorgen omdat mensen aan het plunderen zijn. Ik zie mensen van wie ik altijd dacht dat ze fatsoenlijk waren, meedoen. Sint-Maarten staat bij veel mensen in de Caraïbische regio bekend als “winkeleiland”. Maar deze keer bewaakt niemand het.
Ik zie ook mensen lange rijen vormen om bij de waterput te komen. South Reward ligt in een stroomgebied, dus wie water nodig had, kon hier vaak terecht.
Na verloop van tijd begonnen onze voorraden op te raken. Ik had veel pasta, rijst en noedels ingeslagen en maakte maaltijden met tonijn voor mijn kinderen en mijn man klaar. We hadden geen gas, dus ik deed alles met een rijstkoker, op de stroom die we van Marlin kregen. Ik ging ook naar buiten om te kijken welke vruchten ik kon verzamelen, zodat er wat afwisseling in ons eten kwam en we tenminste iets vers binnenkregen.
Maar ondanks al het ongemak brak mijn hart pas echt toen ik zag hoe de tamarindebomen volledig uit de grond waren gerukt. Die bomen waren monumenten: geplant door de slaven en in de loop der jaren groot, sterk en imposant geworden. Nu lagen ze langs de weg.
Met het geld dat mijn moeder vanuit Sint-Eustatius had gestuurd, omdat onze geldautomaten het niet deden, ging ik naar de Chinese winkel in St. Peters. Die was bijna leeg, maar ik denk de hele tijd aan hoe ik mijn familie kan onderhouden. Dus kocht ik wat ik kon.
En zo ging het wekenlang door. Ik geloof niet dat we ooit een dag zonder eten of water hebben gezeten. Het internet kwam geleidelijk terug, en hoewel het leven voorlopig niet meer normaal zal zijn, begint het wel iets normaler te voelen.
Mijn zoon zit te piekeren en geeft aan dat hij het op Sint-Maarten niet meer ziet zitten. Veel van zijn leeftijdsgenoten zijn voor of na de orkaan weggestuurd. Het vliegveld op de Nederlandse kant is dicht, dus als hij naar Nederland wil, zal hij eerst via de Franse eilanden en vervolgens via Frankrijk moeten reizen. En dat doet hij ook na een maand.
Aan de ene kant was ik opgelucht dat hij weer een normaal leven zou krijgen. Maar ik vond het belangrijk dat mijn kinderen besefte wat er op de eilanden speelt; ze moesten het van dichtbij zien. Toch voel je je als ouder verantwoordelijk voor hun welzijn.
Tegen eind oktober keert de stroom terug en zijn de straten enigszins opgeruimd. Ik ga terug naar het huis in Dawn Beach, waarin ik zoveel moeite had gestoken om het op te knappen. Het is volledig verwoest.
Vergeleken met de buurman zou je nog kunnen zeggen dat het meeviel, want bij hem was alleen het vloerplan nog over. Toch was het huis er echt slecht aan toe: het dak was weg, er was veel waterschade en de meubels die niet verwoest waren, lagen kriskras door elkaar.
De hoeveelheid werk en moeite die het gaat kosten om dit weer recht te zetten, is nauwelijks te bevatten. Maar in de wetenschap dat mijn zoon veilig bij mijn broer in Nederland is, en mijn dochter veilig bij mij, ga ik gewoon aan de slag, hoopvol over wat de toekomst zal brengen.
