In ateliers, werkplaatsen en kleine studio’s wordt dagelijks gewerkt met hout, wol, klei en textiel. Stap voor stap wordt er aandachtig op kleine schaal de tijd genomen. Die manier van werken staat niet op zichzelf. Terwijl de samenleving versnelt en productie draait om maximale efficiëntie, kiezen deze makers bewust voor de vertraging van het ambacht. Maar, wat vraagt het om zo te werken, en wat levert die manier van werken op?
Aandachtig werken is geen nieuw idee, maar het krijgt opnieuw invulling. In werkplaatsen en ateliers, draait het naast het eindproduct, ook om de manier waarop iets ontstaat. Materiaal dwingt tot keuzes: hout laat zich niet haasten, wol vraagt om voorbereiding en herhaling, leer reageert op spanning en gebruik. Het is een proces dat fysieke aanwezigheid opeist; je kunt hier niet met je hoofd ergens anders zijn.
In onderzoek naar vakmanschap wordt deze manier van werken beschreven als een vorm van kennis die niet los te zien is van het lichaam. Socioloog Richard Sennett beschrijft in The Craftsman (2008) vakmanschap als een houding waarin zorgvuldigheid, aandacht voor materiaal en herhaald oefenen samenkomen. Het gaat om het leren via doen: pas door zelf te werken, fouten te maken en te corrigeren, ontstaat inzicht en vaardigheid. Voor makers zoals Faye Parker Brady, Kika Spaapen en Chris Wierikx wordt dit zichtbaar in de praktijk van hun atelierwerk: elk stukje materiaal vraagt tijd, aandacht en een directe, tastbare betrokkenheid.
Faye Parker Brady
In een kamer op de tweede verdieping van haar huis in Naarden staat het atelier van Faye Parker Brady. In een rustige omgeving kijkt ze recht de kruinen van hoge bomen in die het huis omringen. Binnen is nauwelijks nog een lege plek te vinden. Langs de muren hangen moodboards vol stoffen, kleurstalen en afbeeldingen. Er staan bloemen op tafel. Overal liggen materialen: rollen leer in verschillende tinten, reststukken leer, jute, patronen, gereedschap, half afgemaakte tassen.

Het is een ruimte waarin maken en denken door elkaar lopen. Op de werktafel liggen proefmodellen van brillenkokers en tassen: sommige volgens Faye te dik, andere te zwaar, weer andere al zichtbaar beschadigd. Faye pakt er een op, bekijkt het kort en legt het apart. “Deze gaat weg,” zegt ze. “Die is niet goed.”
Van idee naar materiaal
Een tas begint zelden op papier. Faye heeft het ontwerp meestal al in haar hoofd, pas daarna tekent ze een patroon. De eerste modellen maakt ze van papier of jute, om te zien of de verhoudingen kloppen en de vorm logisch aanvoelt. Pas daarna komt het leer in beeld. “Het hangt er heel erg vanaf welk leer je kiest,” legt ze uit. “Wil je dat een tas blijft staan, of juist inzakt? Daar komen allemaal verschillende soorten leer bij kijken.”
Zo werkt ze bijvoorbeeld met kalfsleer, vaak restleer van een Nederlandse leverancier, en selecteert daarnaast Europees leer uit Frankrijk en Italië. De herkomst speelt wel een rol, maar is geen statement. “Het moet gewoon kloppen,” zegt ze, “in gewicht, in gevoel, in hoe het veroudert.” Faye ontwerpt met een specifiek beeld van de gebruiker voor ogen: iemand die de tas intensief gebruikt en waarbij het leer door de jaren heen soepeler wordt en een eigen patina krijgt. “Het is belangrijk na te denken hoe iemand de tas straks draagt. Moet je er snel bij kunnen met één hand? Slijt het leer op de juiste plekken?” Met het dagelijks gebruik van een tas krijgt elk stuk zijn eigen karakter.
Het geluid van leer
Soms werkt een idee niet zoals ze wil: een brillenkoker blijkt te zwaar, een stof rafelt te snel, of een sluiting faalt. “Dan kan het nog zo mooi zijn, maar als het niet goed genoeg is, gaat het niet de deur uit. Ik ben best perfectionistisch.” De tas moet een betrouwbare metgezel zijn die tegen een stootje kan, of je nu naar je werk fietst of een wandeling maakt.

Ambacht en ondernemerschap
Faye werkt zelfstandig onder haar eigen label en doet vrijwel alles zelf: ontwerpen, snijden, stikken, afwerken. Sommige technieken leerde ze via één-op-éénlessen, zoals handstikken in Zwitserland. Andere vaardigheden ontdekte ze via workshops of online tutorials. “Ik vind het heel leuk om dingen zelf uit te zoeken,” zegt ze. “Er valt nog zoveel te leren.”
Tegelijkertijd is ze ondernemer. Sociale media zijn nodig om zichtbaar te blijven, maar kosten veel tijd. “Soms ben ik twee dagen bezig met foto’s of filmpjes,” zegt ze. “Dan heb ik nauwelijks aan mijn tassen gewerkt.” In sommige weken zit ze hooguit acht uur achter de werkbank; de rest van de tijd gaat op aan administratie, belastingzaken en websitebeheer. “Ik ben geen groot bedrijf, alles komt op mij neer.” Wel werkt ze af en toe met een stagiair. “Dat helpt, en ik vind het ook belangrijk om kennis over te dragen.”
Of ze wil opschalen, is haar nog niet duidelijk. Meer mensen aannemen, machines inzetten, onderdelen uitbesteden; het zijn opties, maar ze blijft erover twijfelen. “Het zal sneller gaan, maar hoe handgemaakt is het dan nog?” Voorlopig kiest ze ervoor alles zelf te doen, en accepteert ze dat er grenzen zijn. “Met echt maatwerk kan ik vier grote projecten per maand aan. Meer wordt lastig.”

Uit het hoofd, in het lichaam
Wanneer Faye werkt, verdwijnt de tijd. “Als ik eenmaal in de flow zit, vergeet ik soms te eten,” zegt ze. Uren kan ze doorgaan, tot laat in de avond. “Dan ben ik echt weg uit mijn hoofd.” Het contrast met haar eerdere werk in de financiële sector is groot. Ze werkte jarenlang op innovatieafdelingen binnen het bankwezen. “Dat vond ik interessant, maar ik miste iets creatiefs. Iets met mijn handen. Je wordt zo geleefd door technologie.” In het atelier, met uitzicht op de bomen en huizen in haar straat, vindt ze die concentratie terug. Het werk vraagt door het rustige tempo en de herhaling soms extra doorzettingsvermogen.
Wanneer een tas uiteindelijk de deur uitgaat, blijft het spannend. “Het voelt als loslaten,” zegt ze. “Je hebt het hele proces meegemaakt, de tas is een beetje je baby.” Tegelijkertijd kijkt ze uit naar dat moment: het moment dat de tas haar atelier verlaat en zijn eigen leven gaat leiden bij de nieuwe eigenaar. ”Na zo lang eraan gewerkt te hebben, is het dan ook goed.”

Van de huid naar de vezel
Voor Kika Spaapen begint het ambacht bij de vezel. Net zo compromisloos als Faye haar leer selecteert, gaat Kika terug naar de basis van haar materialen. Ze neemt geen genoegen met rollen stof uit de groothandel. Soms begint het maakproces bij ruwe wol, afkomstig van de vacht van een schaap of alpaca, die eerst gewassen, gesponnen en geverfd moet worden voordat er kleding van kan worden gemaakt.
In Materials Experience (2013) onderzoeken Karana, Pedgley en Rognoli hoe ontwerpers materialen technisch benaderen, maar ook zintuiglijk en conceptueel overwegen in hun werk. De bijdragen beschrijven onder meer hoe materiaalkeuzes, perceptie en ervaring onderdeel zijn van het ontwerpproces en invloed hebben op productervaringen.
Alles is iets

Kika Spaapen is kledingmaakster en ontwerper met een onderzoekende houding. In haar atelier waar zij ruim gebruik van kan maken in haar antikraak woning, richt haar nieuwsgierigheid zich nu grotendeels op herkomst: waar komt een materiaal vandaan, welke handen hebben het aangeraakt en wat kan het nog worden? Die zoektocht leidt haar naar alle uithoeken van het materiaalonderzoek. Soms is dat de vacht die ze ophaalt op een boerderij, die ze vervolgens zelf reinigt, spint en verft in pannen met bietensap of de schillen van rode uien. Door het materiaal stap voor stap te zien veranderen, ontstaat er een relatie met wat ze maakt, en met de mensen voor wie ze het maakt.

Soms begint een ontwerp vanuit een concreet idee, soms groeit het tijdens het experimenteren. Ze combineert technieken en bestaande elementen, werkt met restmaterialen, van de kringloop tot unieke stoffen via marktplaats. ‘’Het gaat om aandacht voor wat het materiaal vraagt, de handeling die erbij hoort en de mogelijkheden die ontstaan,’’ zegt ze, ”alles is iets.” Haar werk beweegt zich tussen draagbaar en conceptueel. Sommige stukken zijn bedoeld om dagelijks te dragen, andere zijn meer sculpturaal en onderzoeken de grenzen tussen kleding en object. Wat ze gemeen hebben, is het ambachtelijke proces dat eraan vooraf gaat. De experimenten met wol, vilt en natuurlijke verfmethoden leveren juist onvoorspelbare vormen, kleuren en structuren op die zich niet laten herhalen, en het werk een eigen, unieke kwaliteit geven.
Geluid van de naaimachine

De manier waarop Kika werkt, past binnen een bredere visie op ambacht die ook in onderzoek terugkomt. In The Craftsman (2008) beschrijft socioloog Richard Sennett vakmanschap als een praktijk waarin kennis ontstaat door herhaling, aandacht en betrokkenheid bij het materiaal. Volgens Sennett ligt die kennis niet vast in schema’s of plannen, maar ontwikkelt zij zich tijdens het maken zelf: in het testen, corrigeren en opnieuw proberen.
Ook beleidsorganen hebben het over deze waarde van ambachtelijk werken. In het rapport Handmade in Holland (2013) stelt de Sociaal-Economische Raad dat ambacht een vorm van arbeid is waarin vakmanschap en verantwoordelijkheid samenkomen. De raad wijst erop dat ambachtelijk werk zich onderscheidt door de aandacht voor kwaliteit, herkomst en duurzaamheid van materialen, en door de directe relatie tussen maker en product.
Wat Kika doet met wol, verf en textiel, zie je ook terug in andere praktijken. De aandacht voor herkomst, het testen van materiaal en het tempo van werken komen overeen. In het atelier van meubelmaker Chris Wierikx krijgt diezelfde werkwijze vorm in hout.
Chris Wierikx

Chris werkt in een tuinhuis aan de rand van Leiden. Hier maakt Chris meubels en houten objecten. Na jaren te hebben gewerkt in de maquettewerkplaats van Bouwkunde aan de TU Delft, besloot hij te stoppen. Het werk was uitdagend, maar altijd in dienst van de ideeën van anderen. Vanaf april werkt hij volledig voor zichzelf. In zijn eigen atelier kan hij bepalen wat hij maakt en hoe hij werkt.
Chris is gefascineerd door het maakproces zelf. Hoe een idee langzaam vorm krijgt in materiaal. Hout vormt daarin de kern. Hij let op nerf, jaarringen en verkleuringen, en bewaart ook stukken die op het eerste gezicht niet bruikbaar zijn. Beschadigd hout of restmateriaal gooit hij zelden weg. Vaak onderzoekt hij later of het alsnog een functie kan krijgen.
Voor hij begint aan een object, test hij uitgebreid. Verbindingen, vormen en verhoudingen probeert hij eerst meerdere keren uit. Pas als hij het proces volledig begrijpt, werkt hij het object uit. Die manier van werken vraagt tijd en concentratie. In het atelier ervaart hij rust. “Het is fijn voor mijn systeem,” zegt hij. “Als ik hier bezig ben, vergeet ik de tijd.”

Geluid van hout dat geschaafd wordt
Zijn inspiratie haalt hij onder meer uit de natuur en uit traditionele houttechnieken, zoals Japanse houtverbindingen waarbij geen schroeven of spijkers worden gebruikt. In recente projecten werkt hij met geometrische patronen, zoals zeshoekige vormen die verwijzen naar honingraten. Ook daarin spelen reststukken hout een rol; kleur en structuur bepalen waar een stuk terechtkomt.

De keuze voor een eigen atelier is niet zonder risico. Handgemaakt werk is duurder dan industrieel geproduceerde meubels. Chris is zich ervan bewust dat hij moet leven van mensen die waarde hechten aan aandacht en kwaliteit. ‘’Ik moet het hebben van die mensen die de waarde inzien van wat ik als maker bied: iets dat nergens anders te vinden is, iets dat met de hand is gemaakt en veel tijd heeft gekost. Die herwaardering van aandacht, dat wordt in onze snelle maatschappij een schaars goed.”
Tekst en foto’s door: Pierette Brand