De slingers hangen overal, de straten zijn gevuld met mensen gekleed in flamboyante, zomerse en kleurrijke kleding. Het is Carnaval in São Paulo en Julian danst. Of hij probeert het tenminste. Hij staat op een grote wagen, ergens in een buurt die hij niet kent, omringd door Brazilianen in pakken met alle kleuren van de regenboog, die precies weten wat ze doen. Julian niet. Hij zwaait met zijn armen een beetje mee op de muziek, lacht naar de mensen langs de kant die hem beoordelen vanuit hun tribunetorens en denkt: dit is het dus. Brazilië. De eerste echte reis van zijn leven, alleen.
Zijn nek doet pijn.
Dat is al een tijdje zo, die dag. Hij heeft het weggeschoven, zoals je dingen wegschuift als je eigenlijk niet wil weten wat ze betekenen en zeker als je net een jaar geleden je havo-diploma haalde, en je dus vooral tevreden bent dat je aan de andere kant van de wereld zit.
Julian studeert biologie. Toen hij hoorde dat er in de Braziliaanse jungle een vrijwilligersproject was waarbij hij daadwerkelijk onderzoek zou gaan doen in de jungle, heeft hij ja gezegd. Natuurlijk heeft hij ja gezegd. En toen had hij zijn koffer ingepakt, zijn vliegticket geprint, de deur van het huis van zijn ouders achter zich dichtgedaan, terwijl zijn maag een kleine salto maakte.
Laura, de Braziliaanse vriendin die hem en de andere vrijwilligers had uitgenodigd om mee te lopen in de parade, had gezegd dat ze te weinig mensen hadden. Of hij wilde meedoen? Julian had ja gezegd. Dat is toch de echte Braziliaanse ervaring?
Dus staat hij daar nu, een Nederlander van negentien tussen de slingers en de samba, met knallende koppijn en een nek die aanvoelt alsof een Braziliaan hem als voetbal had gebruikt. Die ochtend had hij water gedronken uit een filtratiesysteem van het hostel. Een ander had er al van overgegeven. Hij dacht eraan en vond het een geruststellend idee.
Misschien is het dat, misschien wordt hij gewoon een beetje ziek. Dat kan toch? Hij moet in ieder geval enorm nodig plassen.
São Paulo is in die dagen één groot straatfeest. Overal mensen, overal muziek, de hele dag en de hele nacht. Hij liep er al eerder rond met zijn koppijn, een beetje halfdood tussen de feestvierders, zijn buideltasje onder zijn shirt gehangen, omdat de Brazilianen zelf al geen telefoon of portemonnee bij zich hadden tijdens carnaval, uit angst voor diefstal.
Hoofdpijn, nekpijn, misselijkheid én hij moest opnieuw plassen. Maar het was carnaval.
Die avond, terug in het hostel, begint hij te zweten.
Hij ligt in zijn bed en voelt een golf van warmte die niet weggaat, alsof het zojuist nog meer zomer is geworden dan het al was. Die nek die nu echt niet meer mee wil, die misselijkheid die groeit. Als een echte Nederlander bij gezondheidsklachten, neemt hij maar wat paracetamol. Hij draait zich om en probeert te slapen.
Hij wordt wakker. Shit, nog steeds hetzelfde. Hij kijkt zijn net nieuwe vrienden maar een beetje vaag aan, in het Braziliaanse hostel en vertelt aan de rest dat hij het wel mooi vindt geweest.
Hij heeft het wel gezien, vertelt hij ze. In werkelijkheid had hij niet heel veel gezien, zijn hoofd begon juist erg te draaien dat hij niet héél goed meer zag.
Dus gaat hij, met een kleine groep, terug naar het dorpje waar de vrijwilligershut staat. Een rit van vijf uur, ergens diep het binnenland in. De tocht gaat met horten en stoten, meerdere keren vraagt hij of de bus even kan stoppen, niet voor een toiletpauze, maar omdat hij de behoefte voelt om zijn volledige maaginhoud naar buiten te werken.
Hij komt aan in het kleine dorpje diep in het Atlantische regenwoud, Iporanga, omringd door hoge bomen, met gigantische bladeren. Het is een plek waar dodelijke spinnen en halfdode honden rondlopen en waar het dichtstbijzijnde ziekenhuis uren rijden verderop ligt.
Hij wil naar bed. Hoewel het nog middag is, is blijven staan inmiddels geen optie meer. Loor, een Belgisch meisje dat hij al snel had leren kennen, komt aan met een thermometer die ergens uit een EHBO-kistje gevist is, hij meet zijn temperatuur maar eens.
41 graden.
“Oh,” zegt Julian hardop, terwijl hij Loor aankijkt. “Das misschien niet best.”
Brazilië is geen land waar je zomaar ziek wordt en weer beter. Het is een land waar ziek worden iets anders betekent dan thuis, dat weet Julian. De tropen hebben hun eigen logica: bacteriën die een Noord-Europees lichaam nog nooit heeft ontmoet, virussen die zich nestelen in water en lucht en de handgrepen van bussen. Wie nieuw aankomt, merkt dat al snel. De eerste weken zijn een confrontatie tussen een lichaam dat denkt dat het alles kent, en een omgeving die het daar niet mee eens is.
En dan is er nog het systeem eromheen, of het gebrek daaraan. De Nederlandse basisverzekering dekt spoedeisende zorg wereldwijd, maar alleen tot het Nederlandse tarief. Buiten Europa, en zeker in afgelegen delen van Zuid-Amerika, betekent dat in de praktijk: je bent afhankelijk van wat er is. Een groot deel van de Nederlanders is al onvoldoende verzekerd voor ziektekosten buiten Europa volgens de ANWB, maar in een afgelegen dorpje in het Braziliaanse regenwoud is het tarief het minste van je zorgen.
Terwijl hij in bed gaat liggen, gaat er veel door zijn hoofd. Hij is bang. Stiekem was hij al bang vanaf het moment dat hij zijn koffer inpakte. Dat hij de eerste twee weken eigenlijk voortdurend bezig was zichzelf te overtuigen dat hij dit kon.
Ik kan dit. Het is prima, dacht hij. Het is gewoon wennen. En nu heeft hij 41 graden koorts, is zijn nek stijf en bonst zijn hoofd alsof er een fanfare nog maar net begonnen is.
Als elke bezorgde student, opent hij dus maar zijn telefoon, kijkt door zijn wazige blik naar het oplichtende scherm en googelt zijn symptomen. Hoofdpijn. Koorts. Stijve nek, in de jungle. Hij leest wat er verschijnt, sluit zijn telefoon. Hij opent hem opnieuw.
Nee, denkt hij. Dat is het niet. Terwijl hij naar een lijst kijkt die wel lijkt op de honderd meest pijnlijke manieren om je dood te vinden in een oerwoud.
Hij appt Vitor, de coördinator van het vrijwilligersproject, die carnaval viert in een dorpje verderop.
“Het gaat niet goed. Kunnen we naar de dokter?”
Vitor reageert: “Geen probleem, we kunnen morgen wel naar de dokter in het dorp.”
Julian legt zijn telefoon neer. Dan begint hij te huilen.
Hij weet achteraf niet precies wanneer het hyperventileren begint. Weken later zal hij beseffen dat het ook het moment was waarop hij ophield controle te willen hebben.
Nu ligt hij op de schoot van Loor, het Belgische meisje, en zijn lichaam doet dingen die hij niet controleert. Happen naar lucht. Tranen. De paniek van iemand die plotseling beseft hoe ver hij van huis is, en hoe weinig hij daar aan kan doen.
De andere beginnen zich inmiddels ook steeds meer zorgen te maken. “Dit gaat niet goed zo,” constateren ze. Ze bellen de ambulance.
De weg naar het ziekenhuis herinnert Julian later als een rit in een achtbaan terwijl je aan het slapen bent. Kuilen, bochten, donkerte. Hij ligt in de ambulance en weet niet goed meer waar hij is.
Langzaam wordt alles vager, totdat het zwart wordt.
Hij wordt wakker in wat op een wit klaslokaal lijkt. Het heeft weinig weg van de Nederlandse ziekenhuizen die hij kent. Vitor staat naast hem en kijkt een bezorgd, ook hij is aan het zweten en hij is niet eens ziek. Die was toch carnaval vieren? Denkt Julian nog.
In de dokterspraktijk, want het eerste gebouw is geen echt ziekenhuis, dat blijkt al snel, gaan ze hard aan het werk. Een infuus in zijn arm. Beademing in zijn neus. Prikjes in zijn vingers, een bloeddrukmeter om zijn arm. Julian is al zijn hele leven bang voor naalden: hij viel vroeger flauw bij bloedprikken. Om dit mee te maken in een krakkemikkig gebouw, omringd door mensen die alleen bezorgd Portugees praten, maakt het er niet beter op.
De dokters zeggen niet wat ze doen. Julian laat het allemaal maar over zich heen komen, half bij bewustzijn.
Dan buigt Vitor zich naar hem toe. “Heb je drugs gebruikt?”
Julian kijkt hem aan. “Echt niet.”
Vitor knikt even en begint dan weer in rap Portugees te praten met de dokters. Julian pakt zijn kans, en gaat weer slapen. Hij wordt geïnformeerd dat hij de nacht blijft. Prima, denkt hij. Als ik maar éven kan blijven liggen.
Maar ook dat was te veel gevraagd. Later die nacht, ergens rond twee uur, wordt Julian opnieuw in een ambulance gelegd. Het eerste gebouw heeft niet de apparatuur om hem goed te onderzoeken, legt Vitor uit.
Ze rijden twee uur naar een groter ziekenhuis, een rit die op de kaart eruitziet als een kwartiertje, maar in de praktijk even lang is als van Utrecht naar Frankfurt. Julian ligt op zijn rug en kijkt naar het plafond en denkt aan zijn ouders, aan wie hij die dag al een berichtje had gestuurd: het gaat goed hier, maak je geen zorgen.
Zijn moeder had geen idee hoe het daadwerkelijk met hem ging. Een Polarsteps-update werd zelfs nog ingevuld vanuit het ziekenhuis. Hierbij had Julian simpelweg gemeld dat hij even niet zo lekker was geworden.
In het tweede ziekenhuis legt men hem in een grote open zaal. Julian kijkt om zich heen, en vraagt zich af of dit nog een droom is. Nee – misschien een nachtmerrie. Rechts van hem ligt een man met een volledig zwart been dat een beetje scheef hangt. Tegenover hem: een oude man met vijf infuuszakjes en een machine die om de paar minuten piept, waarbij hij een diepe adem haalt die klinkt alsof het de laatste zal zijn.
Julian kijkt naar zijn kamergenoten. Die gaan gewoon dood. Is dat hoe erg het met mij gaat?
Hij kijkt naar zijn eigen plafond. Hij scrolt op zijn telefoon. Hij slaapt. Hij ligt er uiteindelijk een hele dag en nacht, niets te doen.
De volgende ochtend komt de dokter naar hem toe.
“Je hebt een blaasontsteking.”
Julian staart hem aan.
“Een blaasontsteking. Juist.” Ze vertellen hem dat dat niet per se de symptomen heeft veroorzaakt, maar goed, hij is er toch. Het verklaart in ieder geval waarom hij zo nodig moest plassen.
De dokter geeft hem een zak vol antibiotica. “I think you good”, zegt hij in zijn beste Engels. Julian krijgt een ambulance terug aangeboden naar het vrijwilligershuis, ook gratis, en als hij aankomt, staan de anderen hem op te wachten. Knuffels. Grote ogen, ze waren zich kapot geschrokken. De helft had het op hun telefoon meegekregen terwijl ze zelf nog aan het feesten waren in São Paulo.
Julian weet tot op de dag van vandaag niet wat hem daadwerkelijk heeft geveld. Misschien een virus. Misschien iets in de alcohol, het filtratiesysteem in het hostel. Misschien meningitis, die net op tijd werd tegengehouden door de eerste batch antibiotica. De dokters hebben het nooit gezegd.
Zijn ouders hadden gevraagd of hij niet liever naar huis wilde. Hij had gezegd dat hij erover moest nadenken.
En toen was er een dag, een gewone, mooie dag op die kleine plek in de jungle, waarop hij wist dat hij zou blijven. Niet omdat hij niet bang was geweest, maar juist omdat hij dat wel was.
Die ervaring gaf Julian meer dan alleen reisverhalen. Hij weet nu dat, zelfs als alles misgaat, hij op anderen kan bouwen. Dat inzicht kreeg hij toen hij dacht dood te gaan, ergens diep in de Braziliaanse jungle.
